Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) / Wilgenvloedbos

Wilgenvloedbos

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Zeldzame verschijningsvorm
Bosvoorgeschiedenis: verwildering

KENSCHETS
Struweel en opgaand wilgenbos
Wilgenvloedbos overstroomt
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Biodiversiteit in opmars

BETEKENIS

Zeldzame verschijningsvorm

Wilgenvloedbos, ook wel zachthoutooibos genoemd, komt voor in uiterwaarden langs grote rivieren en in het zoetwatergetijdengebied. Door ontginning, rivierregulatie, aanleg van dijken en landbouwkundig gebruik van de standplaatsen van dit bostype is van de het wilgenvloedbos in Nederland, en ook elders in Europa, niet veel meer over. De wilgenvloedbossen in het zoetwatergetijdengebied vormen een uiterst zeldzame verschijningsvorm van de alluviale bossen in Europa (=bossen die groeien op sedimenten die afgezet zijn door bepaalde rivieren of beken). Wilgenvloedbossen zijn beperkt tot Nederland en een deel van Vlaanderen, een gebied langs de Schelde en haar zijrivieren. De wilgenbossen die er zijn verdienen het als waardevol beschouwd te worden, zowel nationaal als internationaal. Het merendeel van de potentiële groeiplaatsen in de uiterwaarden is al eeuwenlang in gebruik als weiland en dus bosloos. Waar wel bos staat, gaat het in de meeste gevallen om (voormalige) grienden (zie: Cultuurbostype Wilgengriend), die zich geleidelijk ontwikkelen tot meer natuurlijke wilgenvloedbossen. Goede voorbeelden van wilgenvloedbossen zijn te vinden in de Gelderse Poort, in de IJssel-uiterwaarden en in Nationaal park De Biesbosch.

Bosvoorgeschiedenis: verwildering

Vrijwel overal danken nu wilgenvloedbossen hun ontstaan aan verwildering: een proces dat optreedt als op voorheen door de mens bepaalde plek de natuur de vrijheid krijgt of de plek wordt vrijgegeven. Verwildering komt meestal neer op verruiging en bosvorming. Rond kleiputten vond spontane bosopslag met wilgen plaats nadat de vraag voor klei voor de baksteenproductie was teruggelopen. Op zandplaten, kribben en oevers kiemen van nature veel wilgenstruiken en bomen. De groeiende belangstelling voor spontane processen in het rivierengebied en een gewijzigd beleid van Rijkswaterstaat maakte het mogelijk dat ook daar soms spontane bosopslag kon plaatsvinden. Veel wilgenvloedbossen hebben een eigen identiteit die samenhangt met hun voorgeschiedenis als griend (=in of aan het water gelegen strook grond waarop rijshout of griendhout geteeld wordt). De huidige praktisch onbegaanbare ruige wildernis van wilgen in het Nationaal Park De Biesbosch bijvoorbeeld, was nog niet zo lang geleden in gebruik als griendland. Het winnen van griendhout werd als een gestructureerd bedrijf beoefend op bekade en ontwaterde percelen met in rijen geplante wilgen die regelmatig werden gehakt. Bij het instorten van de markt voor wilgentenen zijn de grienden haast overal aan hun lot overgelaten. Op veel plaatsen zijn ze spontaan uitgegroeid tot een gesloten hoog opgaand wilgenbos.

KENSCHETS

Struweel en opgaand wilgenbos

Wilgenvloedbos heeft twee gezichten. In de pionierfase is het een struweel waarin Schietwilg (Salix alba), Katwilg (Salix viminalis) en Amandelwilg (Salix triandra) de dienst uit maken, plaatselijk vergezeld van Bittere wilg (Salix purpurea) en, op rivierstranden, van Zwarte populier (Populus nigra). Naarmate het bos ouder wordt delven de struikvormende wilgen het onderspit. In latere successiestadia, in de loop van de natuurlijke opeenvolging, treedt boomvormige Schietwilg op de voorgrond, soms gemengd met de eveneens boomvormige Kraakwilg (Salix fragilis). Langs de Boven-Schelde overheerst de Kraakwilg veelal. Een volwassen wilgenvloedbos is een tot circa 25 m hoog bos. Op enkele plaatsen waar wilgenvloedbos - ook ooibos genoemd - zou kunnen groeien, zijn in de uiterwaarden hoog productieve populierensoorten en variëteiten aangeplant. Het gaat hier echter vrijwel altijd om relatief hoog gelegen delen van de uiterwaard, waar niet wilgenvloedbos, maar het zogenaamde "hardhoutooibos" het eindstadium van de successie vormt (zie Alluviale bossen). 

Met uitzondering van deze populierenaanplanten en het voormalige wilgenhakhout - de grienden - zijn alle bossen langs de rivieren het resultaat van spontane opslag van wilgen. Zaad van wilgen is alom aanwezig en zodra de waterstand gunstig is ontkiemen de wilgen massaal langs de waterlijn. Nieuwe wilgenvloedbossen in het rivierengebied maken is voor de natuur een fluitje van een cent: het toestaan van spontane ontwikkelingen ofwel het stoppen van menselijke activiteiten zoals kap en maaien is voldoende. Omdat het gaat om extreem jonge spontane bossen is ecologisch herstel hier niet aan de orde. Dit geldt echter niet voor het getijdenvloedbos. Voor bossen van dit type ontbreekt sinds de afsluiting van het Haringvliet vrijwel overal in het deltagebied de noodzakelijke hydrologische dynamiek. Regulier beheer, ook instandhoudingsbeheer genoemd, is in de meeste wilgenvloedbossen niet nodig. De uitzondering op deze regel wordt gevormd door de grienden: hier is voor instandhouding regelmatig kappen noodzakelijk.

Wilgenvloedbos overstroomt

Wilgenvloedbossen ontwikkelen zich op groeiplaatsen waar periodiek sprake is van overstroming met rivierwater. Zeer plaatselijk is ook wel sprake van kwel, maar de ecologische betekenis hiervan valt vrijwel volledig weg door de grote invloed van overstromingen met voedsel- en basenrijk rivierwater en de basenrijke bodems. Merkwaardigerwijs vinden we in de wilgenvloedbossen van het zoetwatergetijdengebied wel verschillende plantensoorten die elders in het land als echte kwelindicatoren te boek staan: o.a. Groot  springzaad (Impatiens noli-tangere), Bittere veldkers (Cardamine amara), Slanke zegge (Carex strigosa), Reuzenpaardestaart (Equisetum temateia) en - iets hoger op de overstromingsgradient - Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium). In de wilgenvloedbossen van het zoetwatergetijdenbos duiden deze soorten echter niet op kwel, maar op een combinatie van complexe grondwaterstromingen (vertikaal en horizontaal) en een basenrijk substraat.

De overstromingsfrequentie hangt nauw samen met de ligging van de wilgenvloedbossen in het landschap. In tegenstelling tot de relatief hooggelegen standplaatsen van hardhoutooibossen vinden in zachthoutooibossen gedurende meer dan 10 dagen per jaar overstromingen plaats. Het gaat hier om gesommeerde jaartotalen, niet noodzakelijk om één aaneengesloten periode van hoog water. Bij een overstromingsduur van minder dan 10 dagen per jaar bestaat de boomlaag in de uiterwaardbossen ook veelal uit wilgensoorten, met hier en daar slechts een enkele populier of els. Dergelijke pionierbossen, ontstaan door spontane opslag of uit verwaarloosde grienden, worden vegetatiekundig nog steeds tot de wilgenvloedbossen gerekend. Bij langdurige ongestoorde ontwikkeling zal op deze plekken echter een ander bostype, het hardhout-ooibos ontstaan (zie natuurtype Alluviale bossen). Landschappelijk is de zone van deze " tijdelijke"  wilgenvloedbossen vaak te herkennen aan het voorkomen van populierenaanplant en akkerland (vooral maïs) in de omgeving.

Aan de andere kant van de hoogte- en overstromingsgradiënt ligt een belangrijke grens bij een gesommeerde inundatieduur van gemiddeld meer dan 60 dagen per jaar. In deze zone wordt - na een winter met relatief langdurig hoogwater - de brandneteldominantie in de ondergroei tijdelijk doorbroken en nemen soorten als watermunt (Mentha aquatica), moeraswalstro (Galium palustre) en blauw glidkruid (Scutellaria galericulata) weer toe. Deze snelle cyclische successie is karakteristiek voor de lagere uiterwaardvlakten. In de hogere delen van de uiterwaarden is de dynamiek veel geringer, ook al kan dit proces ook hier wel optreden na een periode van uitzonderlijk langdurige hoge waterstanden.

Onder natuurlijke, niet-vergraven omstandigheden is de textuur van de bodem duidelijk gecorreleerd met de hydrodynamiek. De uiterwaardvlakten zijn kleiig en de oeverwallen zavelig, waarbij de hoogste delen de lichtste bodem hebben, dat wil zeggen relatief zandig zijn. De uitzondering op deze regel van zwaar-onder en licht-boven wordt gevormd door de zandige strandjes in het uiterwaardengebied. Hier vindt plaatselijk ook een aanzet tot nieuwe oeverwalontwikkeling plaats, althans voor zover de rivierbeheerder dit toestaat. De differentiatie in groeiplaatsen is ontstaan onder invloed van overstroming en sedimentatie in een natuurlijk, onbedijkt riviersysteem. In dit opzicht is het uiterwaardenlandschap met al zijn dynamiek toch een grotendeels fossiel systeem.

De dynamiek van het oppervlaktewater is verder in hoge mate gecorreleerd met de dynamiek van het grondwater. Zo komen de bovengenoemde grenswaarden van 10 en 60 dagen voor de gesommeerde overstromingsduur in het uiterwaardengebied globaal overeen met een gemiddelde laagste grondwaterstand van respectievelijk 120 en 75 cm onder maaiveld. Merkwaardigerwijs vindt tijdelijke droogtestress in de kruidlaag vooral plaats in de zone met de hoogste overstromingsfrequentie en -duur: de zandige strandjes. Dit houdt verband met de zeer geringe capillaire werking van de bodem.

In de wilgenvloedbossen van de benedenstrooms gelegen delta speelde vroeger, tot de afsluiting van het Haringvliet in 1970, de door getijdenwerking veroorzaakte dagelijks overstroming een sturende rol. Daarbij was overigens nooit sprake van directe overstroming door zeewater. Het ging om dagelijkse overstromingen met rivierwater onder invloed van opstuwing door de getijdenwerking. Het verschil tussen het zoetwatergetijdengebied en de niet door getijden beïnvloede hoger gelegen standplaatsen is enigszins gradueel. De invloed van de getijden nam langs de grote rivieren landinwaarts af. Naast de gemiddelde overstromingsduur per jaar is in het getijdengebied uiteraard ook de dagelijkse invloed van eb en vloed van belang voor de bosontwikkeling. Een belangrijke grenswaarde is hier een getijdenverschil van 15 cm. Bij een geringer verschil kunnen de voor het zoetwatergetijdengebied typen wilgenvloedbos niet meer tot ontwikkeling komen. Maar ook hier geldt dat de actuele oppervlakte van de wilgenvloedbossen veel groter is dan op grond van de huidige abiotiek verwacht zou worden. Het gaat hier om grote oppervlakten voormalige getijdengrienden die nog dateren uit de tijd van voor de afsluiting van het Haringvliet.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen

Karakteristieke wilgenvloedbossen behoren tot een van de drie associaties van het Verbond der wilgenvloedbossen en -struwelen (38Aa; Salicion albae). Het Bijvoet-ooibos (38Aa1) en het Lissen-ooibos (38Aa2) zijn overal thuis in het overstromingsbed langs de grote rivieren. Het Bijvoet-ooibos heeft voorkeur voor de meest dynamische groeiplaatsen op rivierstranden en zandplaten. Dit uiterst dynamische milieu stelt hoge eisen aan het aanpassingsvermogen van de flora van het Bijvoet-ooibos. Soorten die niet bestand zijn tegen hoge stroomsnelheden, voortdurend wegslijten en afzetting van materiaal (= erosie en sedimentatie), en grote verschillen in vochthuishouding kunnen hier niet aarden. Wat de vochthuishouding aangaat is aanpassing vereist aan frequente overstroming en een snel uitdrogende zandige bodem. Typerend is een breed scala aan pionierplanten, waaronder een opvallend hoog aantal nieuw gevestigde soorten (=adventieven). Dat we hier in het Bijvoet-ooibos met een bijzonder extreem milieu van doen hebben blijkt ook uit het voorkomen van een aantal plantensoorten die wij van elders in het land kennen als muurplanten.

Lissen-ooibos komt onder iets minder dynamische omstandigheden tot ontwikkeling in laagten, langs kleiputten, nevengeulen en wielen. De overstromingsfrequentie is hier lager en de bodem kleiiger. Lissen-ooibossen zijn ook aanwezig op laaggelegen plekken binnendijks, onder meer langs tichelgaten. Het langdurig met water verzadigde, zuurstofarme wortelmilieu vormt voor veel landplanten een probleem, maar moerasplanten zijn daaraan aangepast. In het Lissen-ooibos treden in de ondergroei moerasplanten op de voorgrond zoals Gele lis (Iris pseudacorus), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Wolfspoot (Lycopus europaeus) en Gewone dotterbloem (Caltha palustris palustris) een belangrijke rol. Verschillen in inundatieduur die van jaar tot jaar optreden leiden veelal tot een cyclische successie waarbij het aandeel brandnetels een tijdje geleidelijk toeneemt ten koste van de soortsdiversiteit. Als dan een uitzonderlijk lange overstroming of een overstroming laat in het seizoen optreedt, komt er een einde aan de brandneteloverheersing en daarna begint de cyclus opnieuw.
Wilgenvloedbossen die tot de derde associatie van Verbond der wilgenvloedbossen en -struwelen behoren, het Veldkers-ooibos (38Aa3), zijn beperkt tot het (voormalig) zoet-watergetijdengebied. De kensoorten zijn Spindotterbloem (Caltha palustris araneosa), Bittere veldkers (Cardamine amara), Zomerklokje (Leucojum aestivum) en Vloedmos (Timmia megapolitana).
Het natuurtype Wilgenvloedbos valt binnen het systeem van natuurdoeltypen onder Ooibos (3.61) en binnen de habitatrichtlijn onder de habitattypen Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) (H91E0-A) en Ruigten en zomen (H6430).

Biodiversiteit in opmars

De natuurwaarde van wilgenvloedbossen laat sinds het einde van de twintigste eeuw een opmerkelijke stijging zien. De toename van het zachthoutooibosbiotoop in aantal en omvang bracht een gestage stroom op gang van organismen die tot voor kort niet of nauwelijks in Nederland voorkwamen. Op eigen kracht wist de Buidelmees (Remiz pendulinus), een karakteristieke vertegenwoordiger van het rivierboslandschap, zich te vestigen. Dankzij de rust in de vaak ondoordringbare wilgenvloedbossen bereikt de broedvogeldichtheid hoge waarden. Het wachten is op Kwak (Nyctocorax nycticorax), Zwarte ooievaar (Ciconia nigra) en Zeearend (Haliaeetus albicilla) als vaste bewoners. De nakomelingen van de Bevers (Castor fiber) die zijn uitgezet in de Biesbosch, de Gelderse poort en op verschillende plekken langs de Maas in Limburg winnen langzaam maar zeker terrein. De Zwarte populier (Populus nigra) is inmiddels op menige rivieroever een algemene verschijning. In de pionierfase is de floristische samenstelling van wilgenvloedbossen rijk aan soorten, maar dat geldt niet voor de oudere wilgenvloedbossen. In de kruidlaag domineren dan vaak moerasplanten en soorten van natte ruigten. Het wilgenvloedbos speelt in het huidige landschap een rol als vluchtplaats ofwel refugium voor moerasplanten. Verder is wilgenvloedbos - dankzij de hoge luchtvochtigheid en het ruwe en relatief basische karakter van de wilgenschors - een gunstige biotoop voor epifytisch groeiende soorten, onder meer voor het zeer zeldzame bladmos Tonghaarmuts (Orthotrichum rogeri), één van de slechts vijf plantensoorten, waarvan het voorkomen in ons land in Europese context als bijzonder belangrijk wordt gezien (Habitatrichtlijn, Annex II). Wilgenvloedbossen zijn verder rijk aan insecten, mossen en paddenstoelen. De wilgenvloedbossen in het zoetwatergetijdengebied hebben een aparte soortensamenstelling. Het voorkomen van zowel Spindotterbloem als Vloedmos is vrijwel tot Nederland beperkt. Nieuwkomer in het zoetwatergetijdengebied is Oranje springzaad (Impatiens capensis). Getijdenbossen zijn bovendien van belang voor zeldzame dieren zoals Noordse woelmuis (Microtus oeconomus), Getijdeslakje (Mercuria anatina), en IJsvogel (Alceda atthis).

Met bijdragen van:

Klaas van Dort, 14.11.06; Patrick Hommel & Rein de Waal, 26 april 2007; Patrick Hommel, november 2010.


Literatuur:
Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff  2001. Handboek Natuurdoeltypen. Expertisecenturm LNV, Wageningen.

Hommel, P.W.F.M., J. Cornelis, L. De Keersmaeker & B. Vandevoorde, 2010. Uiterwaarden en zoetwatergetijdengebied. In: J. den Ouden, B. Muys, F. Mohren & K. Verheyen (red.). Bosecologie en Bosbeheer. Acco, Leuven / Den Haag; p. 233-239.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée. 2003. Habitattypen. Europese natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 120 pp.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée. 2004. Soorten van de Habitatrichtlijn. Europese natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 112 pp.

Stortelder, A.F.H., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel, 1999. De vegetatie van Nederland. Deel 5: Plantengemeenschappen van ruigten, bossen en struwelen.
Opulus Press, Uppsala.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren. 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland deel 4, Bossen, struwelen en ruigten. KNNV, Utrecht.

Wolf, R.J.A.M., A.H.F. Stortelder & R.W. de Waal. 2001. Ooibossen, Bosecosystemen van Nederland deel 2. KNNV, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website