Close Menu

N10 Vochtige schraalgraslanden

Karakteristieken
Vochtige schraalgraslanden zijn grazige, laagproductieve begroeiingen op vochtige en natte bodems. In goede vorm zijn ze opmerkelijk soortenrijk, vooral wat de flora betreft. Hun voortbestaan is afhankelijk van jaarlijks maaien en afvoeren van het maaisel. Geringe verschillen in de bodem en het grondwaterregime geven aanleiding voor vele verschillende soortencombinaties. 

Ontstaan
Vochtige schraalgraslanden hebben bijna altijd een verleden als boerengrasland dat voorzag in de behoefte aan hooi als wintervoer voor het vee. Zo mogelijk vond na de oogst ook enige beweiding plaats. De graslanden waren een essentieel onderdeel van het landbouwkundig systeem dat eeuwen heeft voortgeduurd. De lage ligging in het landschap bracht met zich mee dat de meeste gebieden regelmatig overstroomden met water vanuit beek, rivier of boezem. Daarmee werden bufferstoffen en vaak ook enige voedingsstoffen aangevoerd die de vegetatie en de productie in stand hielden. Voor het laatste werden veel graslanden in de beekdalen en natte heidegebieden zelfs opzettelijk bevloeid. In de hogere delen van Nederland staan vochtige schraalgraslanden bovendien van nature onder invloed van kwel, die ook zorgt voor aanvoer van bufferstoffen.

Het overgrote deel van de vroegere vochtige schraalgraslanden heeft de intensivering van de landbouw niet overleefd. Zelfs de restanten die zijn aangekocht als reservaat zijn daarna veelal nog aangetast of verdwenen door een scala van oorzaken, zoals waterwinning, ontwatering, verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater en onvoldoende beheer.

Beheertypen
Het natuurtype omvat twee beheertypen, die voornamelijk worden onderscheiden op grond van hun toegankelijkheid voor maaiapparatuur:

Voorkomen en areaal
Het natuurtype komt verspreid voor in alle provincies. Het gaat daarbij vooral om delen van het laagveengebied en om gebieden in beekdalen en slenken op de zandgronden en in het Heuvelland. Ook in de uiterwaarden van de grote rivieren, in de binnenduinrand en in hoogveengebieden komen op sommige plekken nog vochtige schraalgraslanden voor. Het gaat bijna altijd om kleine oppervlakten en locaties met een geïsoleerde ligging ten opzichte van elkaar. Het zijn restanten van een natuurtype dat vroeger op grote schaal voorkwam, maar dat door intensivering van het agrarisch bedrijf zeer sterk is ingekrompen en nu beperkt is tot natuurgebieden.

l