Close Menu
Monitoring - Stimuleren van acrotelmontwikkeling in hoogveenrestanten

Monitoring - Stimuleren van acrotelmontwikkeling in hoogveenrestanten

OBN Monitoring
Status: afgerond 2024
Uitvoerder: Onderzoekcentrum B-WARE, Wageningen University & Research, KWR
Deskundigenteam: Nat zandlandschap
> Download hier het rapport

Inleiding
In Nederlandse hoogveenrestanten worden veel inspanningen verricht om actieve hoogveenvorming weer op gang te krijgen. Een belangrijke stap is het herstel van stabiele hoge waterstanden en de ontwikkeling van een nieuwe veenmosrijke toplaag, een acrotelm, boven op het oude verdroogde veen. In intacte hoogvenen draagt deze toplaag van levend en recent afgestorven veenmos significant bij aan het stabiliseren van de waterstanden. Alleen bultvormende veenmossoorten, waaronder Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum) en Hoogveenveenmos (S. magellanicum), beschikken over de juiste eigenschappen om een acrotelm te vormen, aangezien ze in staat zijn om tot boven de waterstand in het veen uit te groeien en hun afgestorven weefsel moeilijk afbreekt. Slenksoorten als Waterveenmos (S. cuspidatum), en in mindere mate Fraai veenmos (S. fallax), worden in vergelijking met bultvormers beter afgebroken en groeien beperkt boven de waterstand in het veen uit, waardoor deze soorten geen acrotelm ontwikkelen. Het herstel van een min of meer zelfregulerend hoogveenvormend systeem kan dan ook pas op gang komen indien een of meer van de bultvormende veenmossen over grotere oppervlakten tot dominantie zijn gekomen en een nieuw veenpakket vormen. Dankzij de vernatting is in veel hoogveenrestanten de waterhuishouding hersteld, maar het herstel van de bultvormende veenmossen, en daarmee de vorming van een nieuwe acrotelm, blijft uit.
Dit onderzoek had tot doel te verkennen of via herintroductie van bultvormende veenmos soorten de ontwikkeling van een nieuwe acrotelm gestimuleerd kan worden. Hierbij werd onderscheid gemaakt tussen twee uitgangssituaties: 1) herintroductie op een kale (zwart)veenbodem en 2) in een veenmosvegetatie met slenksoorten.

Conclusies

De monitoring van de ontwikkeling van de geherintroduceerde bultvormende veenmossen op plas-dras vernat zwartveen in 2022 bevestigt de eerder getrokken conclusies (Tomassen e.a., 2022):

  • Overleving van bultvormende veenmossen is het hoogst met aanvoer van water (plas-dras) onder beschutting van een laagje stro.
  • Bij suboptimale waterhuishouding kunnen bultvormende veenmossen overleven en zich zelfs uitbreiden indien voldoende regen valt en mits stro als microklimaat bescherming wordt aangebracht. Een grote bron van onzekerheid blijft echter dat stro niet alleen de veenmos successie, maar ook de successie van hogere planten stimuleert.
  • Voor goede overleving van geÔntroduceerd veenmos is een hogere dichtheid nodig dan voor uitbreiding in de daaropvolgende jaren. Herintroductie met een gemiddelde dichtheid van ca. 72 veenmos planten per m2 , lijkt een goede middenweg.
  • Herintroductie via fragmenten bedekt met een laagje stro is een efficiÎntere methode van herintroductie op kaal veen dan herintroductie via bundels veenmos.
  • Herintroductie succes lijkt beperkt gevoelig voor het soort bultvormend veenmos, en lijkt te variÎren met de mate van droogtestress die het mos ondervindt. Keuze van veenmossoort wordt hiermee een pragmatische beslissing: de meest beschikbare soort bultvormend veenmos kan gebruikt worden voor herintroductie.
  • Vestiging en ontwikkeling van hogere planten wordt gestimuleerd door aanbrengen van stro. Vanaf een veenmosbedekking van c. 45% lijkt het veenmos in staat de hogere plantengroei te beperken. Tot die tijd gaat groei van hogere planten door en kan herintroductie succes van bultvormende veenmossen in de weg gaan zitten. Voortzetting van monitoring is aan te raden om over dit laatste meer zekerheid te krijgen.

Conclusies experimentele herintroductie van bultvormers in slenkvegetaties gedomineerd door Waterveenmos of Fraai veenmos:

  • Herintroductie van bultvormende veenmossen in slenkveenmos kan het beste gebeuren met hoge dichtheid in de vorm van intacte plaggen.
  • Herintroductie van bultvormende veenmossen kan zowel in slenken met Waterveenmos als Fraai veenmos waar de waterstand stabiel is.
  • Herintroductie succes lijkt beperkt gevoelig voor het soort veenmos. Keuze van veenmossoort wordt hiermee een pragmatische beslissing: de meest beschikbare soort bultvormend veenmos kan gebruikt worden voor herintroductie.
  • De sterke uitbreiding van Wrattig veenmos in het Bargerveen lijkt samen te hangen met de hoge CO2-concentraties (ook in de droge jaren) in het bodemvocht. De hoge ammoniumconcentraties in de Mariapeel zijn waarschijnlijk het gevolg van de decennialange hoge stikstofdepositie.

> Rapport 2022: Tomassen, H.B.M., J. Limpens, J. Nijp, G.A. van Duinen & A.J.P. Smolders, 2022. Stimuleren van acrotelmontwikkeling in hoogveenrestanten. Rapport nummer OBN-2017-87-NZ, VBNE, Driebergen