Close Menu

Weidevogels

Mozaïekbeheer

Mozaïekbeheer is inmiddels een bekend begrip in het weidevogelbeheer. In 2007 waren er al enkele experimenten mee gedaan en om de resultaten te bundelen is een rapport verschenen, waarin ook een aanvullende analyse is gedaan, optimale combinaties van beheermaatregelen worden geformuleerd en de agrarische ervaringen met mozaïekbeheer worden besproken.

De belangrijkste experimenten geven echter weinig aanknopingspunten voor een doelmatig beheerconcept, concluderen de onderzoekers. Ook de analyses laten weinig relaties zien tussen succes en beheerfactoren, wel tussen succes en omgevingsfactoren. Waarschijnlijk komt dit doordat het bij de onderzochte gebieden gaat om relatief goede weidevogelgebieden, waarbij beheer niet langer een onderscheidende factor is en andere factoren wel.

In een bijeenkomst met weidevogeldeskundigen zijn per soort maatregelcombinaties opgesteld, waar nodig aangevuld met biotoopeisen uit de literatuur.

Lees meer in het rapport Mozaïekbeheer voor weidevogels.

Kuikenland
Kuikenland. Foto: Dick Melman

Ecologische randvoorwaarden

Beschikbaarheid van prooidieren, gemiddelde vegetatiehoogte, mate van verruiging en de zuurgraad (pH) vormen de belangrijkste ecologische randvoorwaarden die een perceel (in een leefgebied) geschikt of ongeschikt maken als broedplaats voor weidevogels. Dat blijkt uit een onderzoek in het Wormer- en Jisperveld, een brak laagveengebied in Noord-Holland.

Vanwege geplande drastische veranderingen in het beheer is in 2006 de beginsituatie vastgelegd, wat kansen bood om de ecologische randvoorwaarden voor weidevogels vast te stellen, aangezien de dichtheden over het terrein sterk varieerden.

De belangrijkste variabelen die het voorkomen van gruttoterritoria op perceelsniveau bepalen, zijn de dichtheid aan prooidieren (positieve relatie) en de gemiddelde vegetatiehoogte begin maart (negatieve relatie). Hoge dichtheden prooidieren verhogen ook de kans op het voorkomen van territoria van de tureluur en de kievit. De twee overige factoren die gerelateerd waren met het voorkomen van weidevogels in het onderzoek waren de verruigingsindex (bedekking van pitrus en oeverzegge, negatieve relatie) en de pH (positieve relatie). Daarnaast vormt de aanwezigheid van opgaande landschapselementen een factor met een negatief effect en veel soorten zijn gevoelig voor verstoring.

Lees meer in het rapport Ecologische randvoorwaarden voor weidevogelsoorten in het broedseizoen.

Ruimtelijke dynamiek en broedhabitat

Door welke factoren laten weidevogels zich leiden bij de keuze voor hun broedplaats? Dat was de vraag bij een onderzoek in 2008 naar de ruimtelijke dynamiek van weidevogelpopulaties in relatie tot de kwaliteit van de broedhabitat. Broedplaatstrouw blijkt daarbij niet de bepalende factor. Factoren waarvan bekend was dat ze enige relatie hadden met dichtheden aan weidevogels zijn vochtigheid en indringingsweerstand van de bodem, grondwaterstand en prooidichtheid. In deze studie is gekeken of er nestplaatsen van weidevogels in de vestigingsfase ruimtelijk geassocieerd zijn met één of meerdere omgevingsvariabelen. Daarnaast werd gekeken waar de grutto’s broeden die gebruik maken van een plas-dras-perceel.

Men vond significante associatie tussen de nestplaatsen van grutto en tureluur en de grondwaterstand. Nestplaatsen van beide soorten lagen geclusterd op plekken die tijdens de vestigingsfase een relatief hoge grondwaterstand hadden. De kievit leek negatief geassocieerd te zijn met bodemvochtigheid. Een mogelijke verklaring voor het belang van grondwaterstand en bodemvocht boven dat van dichtheid aan prooidieren of indringingsweerstand van de bodem, is dat weidevogels deze factoren gebruiken als indicatie van de kwaliteit van een plek als toekomstige "kuiken-opgroeihabitat".

Voor tureluur en grutto is verhoging van de grondwaterstand een veelbelovende manier om de effectiviteit van weidevogelbeheer te verhogen. Broedparen kunnen hiermee verleid worden zich te vestigen in deelgebieden die zijn ingericht om broedsucces te maximaliseren. Plas-dras percelen lijken aantrekkelijk voor weidevogels: daar worden hogere dichtheden aangetroffen dan op vergelijkbare percelen zonder plas-dras. Dit hangt waarschijnlijk samen met een gunstiger vegetatiestructuur, grotere aantallen insecten en betere bereikbaarheid van de bodemfauna. Of dit daadwerkelijk leidt tot grotere aantallen vliegvlugge jongen is onduidelijk en momenteel onderwerp van door OBN gefinancierd onderzoek.

Lees meer in het rapport Ruimtelijke dynamiek van weidevogelpopulaties in relatie tot de kwaliteit van de broedhabitat.

Overleving weidevogelkuikens

In twee rapporten wordt ingegaan op de factoren die van invloed zijn op overleving van weidevogelkuikens. Uit een nieuwe analyse van bestaande gegevens blijkt onder andere geboortegewicht, uitkomstdatum en weeromstandigheden van invloed zijn. Vooral bij gruttokuikens verlaagt een laag geboortegewicht de overlevingskansen. Overleving van de kuikens neemt af naarmate eieren later in het seizoen uitkomen in het broedseizoen. De overleving van kuikens uit vroege nesten is aan het begin van de kuikenperiode driemaal zo groot als van nesten aan het eind van het seizoen. Kuikens uit een vervolglegsel hebben dus minder kans om vliegvlug te worden. In West-Nederland worden de eerste kuikens overigens ruim een week eerder geboren dan in Noord-Nederland.

Ook weersomstandigheden hebben op langere termijn effect. Daarbij gaat het niet om de hoeveelheid regen, maar de lengte van de periode waarin het regent. Ook de windsnelheid lijkt de overleving te verkleinen. Er zijn vooral indirecte effecten door het weer, zoals een verminderde voedselinname, maar ook het eerder maaien bij warm weer beperkt de overleving. Hogere temperaturen zorgen er bovendien voor dat het gewas sneller ontwikkeld en daardoor hoger, dichter en zwaarder wordt op het moment dat de kuikens hun eerste stappen zetten. Het beheer zou daarom gericht moeten zijn op het vertragen van de gewasontwikkeling.

Lees meer in het rapport Factoren die de overleving van weidevogelkuikens beïnvloeden.

Een ander onderzoek heeft vooral gekeken naar de eisen die kuikens stellen aan hun habitat. Daarbij hebben de onderzoekers een onderscheid gemaakt in de water-groep (kuifeend, slobeend, zomertaling), kortgras-groep (kievit, scholekster, kemphaan), langgras-groep (grutto, tureluur, watersnip) en mozaïek-groep (veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstart). Daarbij is onder andere gekeken naar de voedseleisen en de oorzaken van sterfte van kuikens van deze groepen. De onderzoekers doen in de conclusie van het rapport aanbevelingen voor beheer, zoals verhogen grondwaterstand voor kortgras-groep, creëren van een rustperiode en kuikenland voor de langgras-groep, en extensief grasland en extensieve landschapselementen voor de mozaïek-groep.

Lees meer in het rapport Ecologische kenmerken van weidevogeljongen en de invloed van beheer op overleving

Invloeden op ontwikkeling populatie

Er zijn heel veel factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van de populaties weidevogels, zowel in Nederland als in de overwinteringsgebieden en tijdens de trek. Voor dat laatste werden diverse grutto’s voorzien van satellietzenders. Zij bleken meer dan gedacht dynamisch gebruik te maken van verschillende overwinteringsgebieden in West-Afrika (in plaats van een nadruk op Guinee-Bissau). Een redelijk groot deel (25 procent) overwintert in Europa. De route en het tempo tijdens de trek verschilde sterk per individu. Het behoud van geschikte overwinteringsgebieden in Spanje, Portugal en Afrika is punt van aandacht volgens de onderzoekers (zie ook kopje ‘Trek en overwintering’ hieronder’).

In Nederland werd gekeken naar de invloed van het waterpeil en van de grasstructuur op andere factoren die voor weidevogels en in het bijzonder de grutto van belang zijn. Een laag waterpeil stimuleert de grasgroei, waardoor eerder gemaaid wordt. Ook is er minder voedsel beschikbaar doordat regenwormen dieper wegkruipen. Uit het onderzoek blijkt een vochtpercentage van 30 procent een drempelwaarde. De indringingsweerstand (die groter wordt bij droogte) is ook een goede graadmeter voor de kwaliteit van dehabitat. Om die laag te houden, kan in de winter het waterpeil in het gebied opgehoogd worden. Uit experimenteel onderzoek blijken gruttokuikens het best te groeien in structuurrijke vegetatie. Hierin voeden ze zich vooral met grote insecten. Het verhogen van het waterpeil kan bijdragen aan de structuur.

Lees meer in het rapport Factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van weidevogelpopulaties.

Predatie door vos

Predatie van eieren en kuikens door onder andere vossen vormen een van de bedreigingen van de weidevogelpopulatie. Om meer te weten te komen over de impact van de aanwezigheid van de vos op broedsucces en de vestiging van weidevogels, zijn in 2010 in enkele gebieden in Noord-Holland drie zaken onderzocht:

  1. Wat is het belang van vossenpredatie op de overleving van legsels en kuikens?
  2. Hoe groot is de kans dat een legsel door een vos wordt gepredeerd bij verschillende vossendichtheden?
  3. Mijden weidevogels gebieden met een hogere kans op predatie van nesten?

Om deze vragen te beantwoorden zijn in drie gebieden vossentellingen uitgevoerd om de vossendichtheid per gebied te kunnen bepalen. In dezelfde gebieden zijn kievit- en gruttolegsels voorzien van een datalogger met thermistor om te bepalen of een legsel ’s nachts dan wel overdag is gepredeerd. Van de in totaal 79 nesten met datalogger met bekende uitkomst zijn er 21 gepredeerd, waarvan 8 overdag en 13 ’s nachts. De resultaten laten zien dat op gebiedsniveau de impact van vossenpredatie groot kan zijn. Op grond van de gegevens uit deze studie kon echter geen verband worden gelegd tussen de predatiekans van legsels en de vestiging in een gebied. Voor het beantwoorden van de tweede vraag zijn er te weinig vossen in het gebied waargenomen.

Lees meer in het rapport Vossen en Weidevogels in Noord-Holland

Trek en overwintering

Dit project is bedoeld om een beter inzicht te krijgen in de overlevingskansen van de in Nederland broedende weidevogels tijdens trek en overwintering, en in de mate waarin deze overleving van invloed is op de populaties. Het onderzoek spitst zich toe op vier weidevogelsoorten (scholekster, kievit, tureluur en grutto). Dit zijn alle soorten waar Nederland een grote internationale verantwoordelijkheid voor draagt en die in Nederland nog steeds in belangrijke aantallen voorkomen. Daarnaast hebben deze soorten een onderling vergelijkbare ecologie en een zekere mate van biologische verwantschap.

De resultaten zijn te veelomvattend om hier kort samen te vatten maar de volgende aspecten komen aan de orde:

  • Wat is de mortaliteit tijdens de trek en overwintering voor de vier soorten?
  • In welke mate zijn nog steeds voldoende geschikte biotopen als rustgebied tijdens de trek aanwezig?
  • Hebben zich in de overwinteringsgebieden belangrijke veranderingen voorgedaan (voedselaanbod, jacht, toxische stoffen)? Wat zijn de consequenties hiervan voor het gewicht van de volwassen vogels op het moment van terugkeer naar het broedgebied?
  • Is dit effect relevant voor de overlevingskansen en het broedsucces? Wat zijn de populatie-dynamische consequenties?
  • Recente inzichten wijzen op een mogelijk conflict van overwinterende grutto’s met landbouw in West-Afrika. Vanwege de schade die grutto’s toebrengen aan rijstvelden worden ze in sommige gebieden intensief bejaagd. Hoe kan het negatieve effect daarvan beperkt worden?
  • Hoe is de situatie in dit opzicht voor de andere drie soorten, namelijk de kievit, de tureluur en de scholekster?

Lees meer in het rapport Overleving, trek en overwintering van scholekster, kievit, tureluur en grutto