Close Menu

Ooibossen

De eerste stap in het afwegingskader bestaat uit het vaststellen van de groeiplaatstypen. Het groeiplaatstype bepaalt welk ooibostype op een bepaalde plek tot ontwikkeling kan komen. Voor elke uiterwaard langs de grote rivieren in Nederland zijn de groeiplaatstypen ingetekend.

De belangrijkste abiotische kenmerken die het verschil maken tussen de groeiplaatsen voor ooibosgemeenschappen zijn: overstromingsduur, overstromingsdynamiek, bodemsubstraat en grondwaterstand. Deze kenmerken corresponderen met een natuurlijke landschappelijke positie in het winterbed. 

  • Lissen-ooibossen in de laagste en natste delen van de uiterwaardvlakte met een kleiige bodem (II)
  • Brandnetelooibos op de wat hoger opgeslibde uiterwaarden en daardoor ook iets droger (III)
  • Droog hardhoutooibos (Abelen-Iepen) op de zandige oeverwal of rivierduin (V)

Relatie tussen ooibostypen, habitat- en groeiplaatstype, en groeiplaatskenmerken.


Positie van de groeiplaatsen van de verschillende ooibosgemeenschappen in het winterbed.