Close Menu

Invasieve exoten

Een van de grootste knelpunten in het beheer van invasieve exoten is dat bestrijdingsmaatregelen van exotenpopulaties vaak maar een beperkte tijd effectief zijn. Dat komt doordat vrijwel alle invasieve exoten eigenschappen hebben waarmee ze zich snel kunnen herstellen van een sterke populatiereductie. Daarnaast zijn veel soorten, zoals de Rode Amerikaanse rivierkreeft, lastig waarneembaar en daardoor is het vrijwel onmogelijk om alle individuen weg te vangen.


Het wegvangen van Rode Amerikaanse rivierkreeft leidt al snel tot helder water en toename van onderwatervegetatie. Echter, zodra de vanginspanning verslapt, neemt de kreeft snel in aantal toe en keert het ecosysteem terug naar de troebele vegetatieloze toestand. Foto: Yannick Janssen.

Voor soorten die moeilijk zijn te bestrijden is een andere strategie nodig. Wanneer exoten profiteren van beschikbare bronnen en open niches, die als gevolg van verstoring of aantasting zijn ontstaan, dan bestaan vaak mogelijkheden om maatregelen te treffen om de verstoring ongedaan te maken en daarmee de aanwezigheid van de soort op een lager niveau te krijgen. Deze aanpak van exotenproblematiek heeft de naam ‘systeemgericht exotenbeheer’. Voor deze vorm van beheer is een analyse nodig van de inheemse soorten die in het ontvankelijke ecosysteem ontbreken en/of welke aantasting of verstoring er plaats heeft gevonden waardoor er bronnen, zoals nutriënten, licht of voedsel, in overvloed beschikbaar zijn. Voor Watercrassula, Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) en Zonnebaars (zie tabblad Casus beheer van Zonnebaars) heeft deze analyse reeds geleid tot praktisch toepasbare maatregelen waarmee de soorten zijn te beheren.

Watercrassula
Deze kleine, uit Australië afkomstige, waterplant verspreidt zich snel door het land en komt daarbij tot dominantie in onder andere natuurontwikkelingsgebieden, vennen, poelen en duinvalleien. De soort doet het goed in pioniermilieus die rijk zijn aan voedingsstoffen zoals koolstof, stikstof en fosfaat, met weinig concurrentie van andere soorten. Door na bestrijding van Watercrassula concurrerende plantensoorten te introduceren, die passen bij het inheemse ecosysteem, kan de hergroei van Watercrassula worden geremd (Figuur 4).


Figuur 4.  Veldproef langs het Vossenbergven (Tilburg). De biomassa van Watercrassula is gedurende twee jaar teruggedrongen middels het afdekken met vijverfolie. Nadat de folie is verwijderd, zijn proefvlakken ingericht. In de helft is de inheemse plant Oeverkruid (Littorella uniflora) geïntroduceerd om hergroei van Watercrassula te remmen. Na drie groeiseizoenen heeft Watercrassula zich in alle proefvlakken weer gevestigd, maar de hergroei bleek lager in de Oeverkruidbehandeling.

Amerikaanse vogelkers
Ook de boomsoort Amerikaanse vogelkers is een exotische pioniersoort. De soort profiteert van de hoge lichtbeschikbaarheid onder de grove dennen die de Nederlandse heideontginningsbossen domineren. Grove den (Pinus sylvestris) is ook een pioniersoort. Door de afwezigheid van boomsoorten uit een verder successiestadium, de ‘opvolgersoorten’, is het voor de vogelkers mogelijk zich te ontwikkelen tot een ‘pseudoclimaxsoort’. Door in inheemse bossen opvolgersoorten, zoals Winterlinde (Tilia cordata), Haagbeuk (Carpinus betulus), Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Tamme kastanje (Castanea sativa), Iep (Ulmus spec.), Taxus (Taxus baccata), Hulst (Ilex aquifolium) en Hazelaar (Corylus avellana), te planten wordt de gelaagdheid van de vegetatie versterkt en neemt op termijn de dominantie aanwezigheid van vogelkers in deze bossen af.


Aanplant van Winterlinde en Haagbeuk onder grove den op zandgrond. Door competitie met andere soorten kan Amerikaanse vogelkers in dit bos niet dominant worden en kan deze het bosecosysteem verrijken. Foto: Bart Nyssen.