Close Menu

Invasieve exoten

De beste strategie van het handelen tegen invasieve exoten wordt visueel gemaakt op de ‘invasiecurve’ (Figuur 3). Naar mate een invasieve exoot zich vestigt en uitbreidt veranderen de prioriteiten voor beleid en beheer.

De eerste stap is het voorkomen van introductie, de zogenoemde ‘preventie’. Als introductie niet meer te voorkomen is, dan is het van belang de soort snel en volledig uit te roeien, de ‘eliminatie’. Als dit niet meer mogelijk blijkt omdat de soort al te wijdverspreid aanwezig is, moeten de soorten zo veel mogelijk bestreden worden om verdere uitbreiding en verlies van biodiversiteit te voorkomen, het ‘isoleren’ en ‘beschermen van inheemse natuur’.

De transitie tussen de verschillende fasen verloopt geleidelijk, waarbij verschillende wijzen van aanpak naast elkaar kunnen voorkomen. Ook kan de strategie regionaal en (inter)nationaal verschillen. Een voorbeeld daarvan is de omgang met Watercrassula. Op het moment van schrijven is deze soort landelijk niet meer te elimineren, en ligt de nadruk op maatregelen om woekering van watercrassula te voorkomen en daarmee biodiversiteit te beschermen. Echter, op de Waddeneilanden, waar de besmettingen nog lokaal en klein zijn en waar de kans op hervestiging lager is dan op de vaste wal, is de strategie van terreinbeheerders en provincie gericht op eliminatie.


Figuur 3. De invasiecurve beschrijft de samenhang tussen de duur van de invasie van een exoot, de kosten van het beheer en de mogelijkheden om in te grijpen in de invasie. De steilheid van de curve, de beste beheersmaatregelen en moment van ontdekking zijn afhankelijk van de ecologie van een invasieve exoot.

Preventie
Zolang een potentieel invasieve exoot nog niet aanwezig is, bestaat de aanpak uit het beperken van introductieroutes voor de exoot. Dit is vooral het werkveld van het nationale en internationale beleid en is voor veel mensen vrijwel onzichtbaar. Toch gebeurt er veel op dit vlak. Om in te schatten welke exoten in potentie schadelijk zijn, worden risicoanalyses uitgevoerd. Potentieel schadelijk soorten worden actief geweerd bijvoorbeeld via handelsverboden, afspraken over transporten waarbij exoten zich kunnen verspreiden (zoals ballastwater in vrachtschepen en transport van mosselzaad) en controles door de douane. Publieke informatievoorziening maakt burgers en bedrijven bewust van de consequenties van het vrijlaten van exoten in de Nederlandse natuur.

Eliminatie
Nadat een uitheemse soort in de natuur terecht is gekomen, is er een fase waarin de toename in verspreiding en aantallen langzaam verloopt en duurt het soms lang voordat een soort wordt opgemerkt. Dit is het moment waarop eliminatie de grootste kans van slagen heeft. Snel handelen is daarmee erg belangrijk, maar dit is alleen mogelijk wanneer een invasieve exoot tijdig wordt gesignaleerd. Het uitgebreide netwerk van natuurliefhebbers speelt een belangrijke rol in een snelle detectie van nieuwe exoten. Zij worden via verschillende manieren geholpen om soorten te herkennen en het melden, o.a. via de nieuwsbrief Kijk op Exoten en soortherkenning en registratie in databases via mobiele apps.

Isoleren
Naar mate een exoot langer aanwezig is neemt deze in oppervlakte en aantal sneller toe. Niet alle exoten worden bij de eerste waarneming met succes geëlimineerd. Pas wanneer een soort voor overlast zorgt of er schade ontstaat, realiseert men zich dat de soort moet worden aangepakt om te voorkomen dat de soort oncontroleerbaar wordt. Helaas wordt het op dit punt in de invasiecurve steeds moeilijker om de soort te elimineren. Voor een realistische uitvoer en om ecologische schade en oplopende kosten te beperken, komt in deze fase steeds meer de focus te liggen op voorkomen dat de invasieve exoot zich verder verspreid. Door maatregelen te nemen waardoor de omvang van populaties sterk wordt gereduceerd, kan verspreiding naar nabijgelegen terreinen worden voorkomen. Maatregelen die specifiek gericht zijn op isolatie van de exoot, kunnen heel eenvoudig zijn, zoals het plaatsen van een hek of wildrooster maar meestal is er meer nodig om de verspreiding van een exoot  te beperken. Een voorbeeld daarvan is het uitgebreide protocol dat is ontwikkeld voor Aziatische duizendknopen. In dit protocol worden voorwaarden gesteld aan o.a. maaibeheer, grondwerk, afvoer van resten, monitoring en communicatie.

Beschermen
Soorten die zich via lucht of water verspreiden laten zich vaak niet isoleren en breiden zich oncontroleerbaar uit. Bij veel van deze soorten wordt een punt bereikt waarbij ze zo wijdverspreid en talrijk zijn dat eliminatie en isolatie niet meer haalbaar zijn. In dat geval is populatiebeheer, periodieke bestrijding, de enige mogelijkheid om naast de exoot nog ruimte te behouden voor inheemse soorten. Veel terreinbeheerders hebben vooral met deze vorm van exotenbeheer te maken. Voor verschillende invasieve exoten zijn praktijkadviezen verschenen, waarin aandachtspunten voor de bestrijding zijn beschreven.

Methoden voor exotenbestrijding
Er kunnen drie hoofdgroepen van methoden onderscheiden worden. De meest toegepaste, althans in Nederland, is de mechanische bestrijding. Daarbij worden uitheemse planten en dieren fysiek verwijderd uit hun leefomgeving. Hieronder vallen, afhankelijk van de levenswijze van de exoot in kwestie, methoden als afzagen, maaien, uitgraven, afvissen en afschot.

Ook chemische methoden worden veel toegepast. In Nederland worden biociden vooral in de landbouw toegepast om invasieve soorten te bestrijden. In het terreinbeheer neemt het gebruik van bestrijdingsmiddelen juist af. Meest toegepast is glyfosaat, dat gebruikt wordt voor het doden van invasieve planten. Hoewel biociden vaak effectiever en selectiever zijn in de bestrijding van uitheemse soorten, zijn de meeste niet toegestaan voor gebruik in water en natuur. Toepassing van biociden kan in uitzonderlijke gevallen echter toch worden overwogen. Een voorbeeld is het biologisch afbreekbare vissenbestrijdingsmiddel rotenon. In Groot Brittannië wordt deze stof ingezet om wetlands vrij te maken van invasieve Blauwband (Pseudorasbora parva) en Zonnebaars (Lepomis gibbosus). Al hoewel rotenon ook schadelijk is voor andere diersoorten in het water, staan de populaties van deze soorten al onder druk als gevolg van de invasieve exoten. Verschillende studies hebben aangetoond dat na rotenonbehandeling de exoten zijn verdwenen en snel herstel van de populaties van inheemse soorten optreedt.

De derde groep van bestrijdingsmethoden is biologische bestrijding. Daarbij worden uitheemse soorten bestreden met predatoren, herbivoren of pathogenen uit het land van herkomst. De soorten die worden ingezet zijn zeer selectief voor de ongewenste exoot, zodat er geen gevaar is dat de geïntroduceerde natuurlijke vijand overstapt op inheemse soorten. Ook deze vorm van exotenbestrijding is ingeburgerd in de landbouw, maar kent nog geen operationele toepassing in het Nederlandse natuurbeheer. Echter, de eerste stapjes zijn recent gezet met de eerste experimentele introducties van de Japanse bladvlo (Aphalara itadori), die uitsluitend leeft van Aziatische duizendknopen.

Naast de hierboven beschreven groepen van bestrijdingsmethoden worden er continu nieuwe methoden bedacht en uitgeprobeerd. Enkele recente voorbeelden:

  • drones uitgerust met warmtebeeldcamera’s worden ingezet om nesten van de Aziatische hoornaar te ontdekken;
  • met de hulp van hoogspanning worden boven- en ondergrondse plantendelen van uitheemse planten verbrand;
  • malariamuggen worden genetisch gemanipuleerd zodat de vrouwelijke nakomelingen onvruchtbaar zijn en het aandeel onvruchtbare dieren toeneemt met het verstrijken van de generaties.

Aandachtspunten in het exotenbeheer
Wanneer een schadelijke exoot zich in een natuurgebied heeft gevestigd, is snel en efficiënt ingrijpen van groot belang. Aandachtspunten daarbij zijn:

Communicatie - exotenbestrijding wordt niet door iedereen gemakkelijk begrepen. Dat is zeker het geval van ‘aaibare’ gewervelde dieren of wanneer de benodigde bestrijdingsmaatregelen een grote impact hebben op het besmette ecosysteem. Het is daarom van belang om uit te leggen waarom de bestrijdingsmaatregelen essentieel zijn voor het behoud van de natuurwaarden in het gebied.

Soorten houden zich niet aan eigendomsgrenzen. Invasieve exoten komen vaak ook buiten natuurterreinen voor en kunnen vanuit aangrenzende terreinen een blijvende bron van besmetting zijn. Neem daarom niet alleen bestrijdingsmaatregelen in eigen terrein, maar werk samen met andere aangrenzende partijen wanneer de soort daar ook aanwezig is.

Schoon werken - het vermogen om snel te kunnen vermeerderen zorgt ervoor dat populaties van invasieve exoten zich heel snel kunnen herstellen nadat bestrijdingsmaatregelen zijn genomen. Hoe meer van de populatie geëlimineerd wordt, des te langer het duurt voordat de exoot zich weer hersteld wordt en des te meer tijd inheemse soorten krijgen om dominant te worden. Daarom is het van belang om zorgvuldige uitvoering, zowel bij het verwijderen van de soort als bij het transport daarna, zwaar te waarderen bij de aanbesteding van projecten voor de bestrijding van uitheemse soorten.

Ontheffingen - voor het bestrijden van invasieve exoten zijn vaak ingrijpende maatregelen nodig in (natuur)terreinen. Het is mogelijk dat voor een legale uitvoering hiervan vergunningen en/of ontheffingen noodzakelijk zijn. Voorbeelden zijn een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de Wet natuurbescherming en/of Boswet of een keuring van te verplaatsen bodem op PFAS en AP04. Deze trajecten hebben in de regel een doorlooptijd van 13 tot 20 weken , waarin de invasieve exoot zich verder kan uitbreiden en waarmee eliminatie en bestrijding steeds moeilijker worden. In Natura 2000-gebieden kan een dergelijke vertraging voor een deel worden voorkomen door exotenbestrijding onderdeel te maken van het Beheerplan.

Meer informatie

Risicoanalyses

Informatie over invasieve exoten

Beheer van invasieve exoten