Close Menu

Hoogveen

Hydrologie herstellen

Voor herstel van hoogveen is een goede waterhuishouding van het gebied noodzakelijk. Voor herstel van de kern en randen moet de hydrologie tenminste intern op orde zijn, maar voor het herstel van een compleet hoogveenlandschap moet de gehele hydrologie van het gebied zelf én de omgeving worden hersteld. Op basis van analyse van historische kaarten, bestaand reliëf, grondwaterstanden en grondwaterstroming en bodemtype, eventueel aangevuld met de bestaande of historische samenstelling van de vegetatie, kan een inschatting gemaakt worden van de mogelijkheden en onmogelijkheden voor herstel van een randzone of een lagg.

Interne maatregelen, zoals dempen of afdammen van sloten en greppels en compartimenteren, zullen vooral de grondwaterstroming en waterberging binnen het reservaat beïnvloeden. Uiteraard is hier een verband met de waterhuishouding van het hoogveenreservaat als geheel. Een hydrologische bufferzone stimuleert de ontwikkeling van een hoogveenreservaat omdat het de waterverliezen via wegzijging vermindert. De grootte van de bufferzone is afhankelijk van de geohydrologische situatie waarin het hoogveenrestant zich bevindt en van de eigenschappen van het resterende veenpakket. Die zijn bepalend voor de effectiviteit van hydrologische bufferzones en de wijze van inrichting van bufferzones.

Gradiënten herstellen

Gradiënten tussen hoogveenkernen en het omringende landschap zijn een belangrijk habitat voor bedreigde soorten van het hoogveenlandschap. Het herstel van dergelijke gradiënten is dan ook een van de kernopgaven voor de Nederlandse hoogveenrestanten. De mogelijkheden van herstel hangen samen met het type hoogveen waar je mee te maken hebt. Herstel van gradiënten in grondwaterinvloed (die in de vegetatie en fauna doorwerkt) is over grotere oppervlakten en op hun oorspronkelijke locatie eigenlijk alleen mogelijk in veenrestanten die in laagten zijn gelegen, zoals Korenburgenveen, Aamsveen en Haaksbergerveen. Hier zijn gradiënten en delen van de lagg, weliswaar in een verstoorde vorm, nog aanwezig en er is vaak nog toestroom van lokaal, basenrijker grondwater aanwezig. Hierdoor kunnen in deze gebieden nog populaties van kenmerkende soorten van laggs of hoogveengradiënten aanwezig zijn. De speerwaterjuffer (Coenagrion hastulatum) is daar een goed voorbeeld van; deze komt nog voor in het Korenburgerveen en Haaksbergerveen. In dit type hoogveenrestanten kan met betrekkelijk eenvoudige maatregelen de grondwaterinvloed worden hersteld en daarmee gradiëntrijke overgangen vanuit het hoogveenrestant naar het omringende minerale landschap. De (a)biotische omstandigheden die in deze gradiënten aanwezig zijn, worden sterk bepaald door de chemische samenstelling van de bodem (basenrijkdom, maar ook grondwatervervuiling) en het grondwater dat in de wortelzone komt of uittreedt (kwel).

De kansen voor herstel van gradiëntrijke overgangen rond hoog in het landschap gelegen restanten hoogveen zijn beperkt, maar er zijn hier en daar zeker kansen. Deze restanten van de zure kern van het oorspronkelijke hoogveen gaan aan de rand scherp over in de omliggende landbouwgronden, soms in bos of bebouwing. Het gaat hierbij vooral om de restanten van de grote hoogvenen: Peelvenen, Bargerveen, Fochteloërveen, Wierdenseveld, Engbertsdijksvenen (behalve aan de noordoostelijke rand). De vroegere randen en laggs zijn ontgonnen en lagen ver van de huidige reservaatsgrenzen. Er zijn binnen reservaten soms wel mogelijkheden voor de ontwikkeling van gradiëntrijke overgangen van veen naar zand waar de minerale ondergrond boven het veen uitsteekt en waar in het natte jaargetijde grondwater kan opbollen om vervolgens als lokale kwel aan de flanken van zo’n opduiking weer uit te treden. In situaties langs de randen van resterende veenpakketten waar veenwater of grondwater uittreedt, kan vernatting van aangrenzende percelen tot aan het maaiveld wellicht tot waardevolle overgangen leiden. In de bufferzones, die primair een hydrologische functie hebben, zouden zich gemeenschappen en soorten van de gradiënten van hoogvenen kunnen ontwikkelen (berkenbroeken, wilgenstruwelen.

Inunderen en plas-dras creëren

Bij herstel en ontwikkeling van hoogveen kan gekozen worden voor verschillende strategieën, afhankelijk van de uitgangssituatie. Welke vernattingsstrategie de beste perspectieven biedt, is afhankelijk van het type restveen (witveen of zwartveen) én van de hydrologische situatie die in het restant bestaat of gerealiseerd kan worden. Witveen is het weinig vergane deel van het veenpakket en zwartveen is de donkergekleurde, sterk gehumificeerde veenbodem. Na turfwinning is meestal alleen zwartveen overgebleven, maar soms is de oude toplaag teruggestort. Voor beide typen geldt dat de vernatting geleidelijk en ruimtelijk gefaseerd moet gebeuren. Daardoor heeft de nog aanwezige karakteristieke fauna de mogelijkheid om nieuwe geschikte leefomstandigheden te vinden. Verder moet alle drainage gestopt worden.

Vernatting tot aan maaiveld (plas-dras) biedt in principe de beste groeiomstandigheden voor veenmossen. Vooral in het geval van zwartveenrestanten is echter een stabiele plas-drassituatie vrijwel onmogelijk te realiseren. Vandaar dat in de praktijk veelal inundatie van zwartveen plaatsvindt. Dan is het wel belangrijk dat de waterlaag niet te diep is (30-50 cm), zodat voldoende licht in het water doordringt tot op het ondergedoken veenmos én dat de waterstand nog wel voldoende stabiel is, zodat droogval wordt voorkomen. Daarnaast is een hoge CO2–beschikbaarheid in de waterlaag nodig voor de groei van veenmossen. Dit kan tot stand gebracht worden door afbraak van restveen onder invloed van (licht) gebufferd grondwater, of door toestroming van CO2-rijk water.

Een vuistregel is: wanneer CO₂-rijk water aanwezig is of gevormd kan worden levert inundatie de beste resultaten op, in andere gevallen is het beter om plas-dras situaties te creëren.