Close Menu

Bodem

Maatregelen op voormalige landbouwgronden

Wanneer schrale natuurdoelen worden nagestreefd, is het nodig om in de landbouwpercelen het nutriëntengehalte te meten en te toetsen aan randvoorwaarden van het na te streven natuurtype. Elk natuurdoel hoort een bepaalde nutriëntentoestand, een dito bodemleven en functionerende bodemprocessen. In de Handreiking voor de omvorming van landbouwgronden naar schrale natuur, tabel 3, staat een overzicht van streefwaarden en maximumwaarden voor diverse nutriëntenvariabelen. Het beste is om eerst naar de fosfaattoestand van de bodem te kijken. Een te hoog fosfaatgehalte is immers vrijwel altijd een belemmering voor het ontwikkelen van schrale natuurtypen. Bovendien blijft fosfaat door een sterke chemische binding vaak langdurig in de bodem aanwezig. In tweede instantie is het stikstofgehalte in de bodem van belang. Om het fosfaatgehalte de fosfaatbeschikbaarheid naar een gewenst niveau te krijgen zijn verschillende maatregelen denkbaar.  Effectieve maatregelen zijn:

  • Plaggen of afgraven bouwvoor
  • Ontgronden (meer dan alleen bouwvoor)
  • Diep ontgronden

Ongewenste neveneffecten hierbij zijn echter verlies van organische stof, bodemleven en buffercapaciteit.

Ook kan afvoeren van biomassa bijdragen aan vermindering van fosfaat, al zijn deze maatregelen minder effectief gebleken of nog onduidelijk. Mogelijkheden zijn:

  • Maaien en afvoeren, of beweiding (zeer lange ontwikkeltijd)
  • Uitmijnen met productieve gewassen (onduidelijk of schrale natuurdoelen worden gerealiseerd). Bij uitmijnen wordt de groei en fosfaatonttrekking van het gewas gemaximaliseerd door een bemesting met alle nutriënten met uitzondering van fosfaat

Ook zijn enkele additionele maatregelen mogelijk. Een overzicht van alle maatregelen en bijhorende effecten staat in tabel 5 van de Handreiking.

Plaggen

Tegen vermesting en verzuring van onder andere heidegronden kunnen maatregelen als plaggen, chopperen en/of branden worden ingezet.

In sommige gevallen zijn, gezien de nevenaffecten van plaggen, chopperen of drukbegrazing een goed alternatief voor plaggen. Lees meer hierover in het het verslag van de Veldwerkplaats Chopperen en drukbegrazing als alternatieven voor plaggen

Toevoegen van mineralen 

Het aanvullen van de voorraad mineralen waaruit basische kationen vrij kunnen komen voor aanvulling van het bodemadsorptiecomplex, lijkt een noodzakelijke stap voor duurzaam herstel. Toevoegen van mineralen gebeurt op twee manieren die respectievelijk snelle en langzame afgifte.

Bekalking
Bekalking kan bij hoge dosis echter leiden tot versnelde afbraak van organische stof in de bodem waardoor bepaalde competitieve hoogproductieve soorten dominant worden (verruiging). Daarom wordt bekalking meestal toegepast na plaggen. Met plaggen wordt echter ook een groot deel aan nutriënten, organische stof, bodemleven en zaden afgevoerd wat het herstel vertraagt. Om de effecten van bodemverzuring te verzachten, moet daarom gezocht worden naar methoden die het natuurlijk zuurbufferend vermogen van de bodem herstellen zonder ingrijpende maatregelen zoals plaggen. Een alternatief voor kalk is steenmeel van silicaatmineralen. Steenmeel reageert langzamer dan kalk waardoor het risico op verruiging kleiner is en het levert een breder palet aan nutriënten aan de planten. Idealiter worden met dat steenmeel ook die mineralen aangevuld die door de verzuring verdwenen zijn.
Lees meer over de aandachtspunten bij bekalking .

Diverse bufferstoffen

Verschillende opgebrachte bufferstoffen in een experiment op Strabrecht: vlnr Dolokal, Biolit (fijne maling), Biolit (grovere maling), Lurgi en Lavagruis. Uit OBN-rapport Herstel van heide door middel van slow release mineralengift

Steenmeel
In het rapport Herstel van heide door middel van low release mineralengift’ zijn de uitkomsten van drie jaar onderzoek naar de effecten van toediening van (minimaal) twee steenmeelsoorten en Dolokal in twee droge heiden (NP de Hoge Veluwe & Strabrechtse Heide) en één natte heide (NP de Hoge Veluwe) beschreven. Hierbij zijn de effecten van steenmeelgift op de bodemchemie, vegetatie en fauna gekwantificeerd. De resultaten na drie jaar onderzoek zijn positief en zeker hoopgevend, in die zin dat er significante verbetering van de bodembuffering en vermindering van toxisch aluminium is opgetreden. Bij gebruik van Dolokal ligt het risico op negatieve effecten voor de fauna op de loer, waarschijnlijk gestuurd door P-tekorten onder bepaalde omstandigheden. Dit was echter bij de uitgeteste steenmeelsoorten niet het geval. Daarnaast leveren de verschillende geteste steenmeelsoorten elementen in verschillende verhoudingen en hebben ze een andere reactiesnelheid, ook deels per element. Ook zijn de lange termijneffecten van steenmeeltoediening op heidebodems en het voedselweb nog onbekend. Toch adviseren de auteurs van dit rapport samen met het Deskundigenteam Droog zandlandschap, gezien de zeer ernstige situatie waarin het heidelandschap zich momenteel bevindt, de toediening van steenmeel in droge en natte heide, na vooronderzoek, op te schalen.

Lees meer in het rapport rapport ‘Herstel van heide door middel van low release mineralengift’ en het verslag vanb de discussiedag ‘Steenmeel als herstelmaatregel’.

Maatregelen tegen erosie

Effectieve bestrijding van erosie begint bij de bron, dus in het agrarisch gebied op het plateau. Dit zal echter lang niet altijd op korte termijn te realiseren zijn. In dat geval kunnen een of meer van de volgende maatregelen worden overwogen.

  • Aanleggen van bufferstroken op het vlakke deel; Bufferstroken met struweel stabiliseren niet alleen erosiegevoelige plateauranden maar vormen ook een habitat voor ondergroei en fauna.
  • Aanleggen van bufferzones rond de kop van grubben; Terugschrijdende erosie van de grubbe kan worden gestopt door juist rond de kop een verbrede bufferzone van 15-30 m te creëren, ten koste van een deel van het agrarisch gebied.
  • Aanpassen van de padenstructuur; Paden met een doorvoerfunctie komen in aanmerking om te worden opgeheven (met aanpassing van het padenpatroon) maar zouden zo mogelijk ook (en zelfs beter) gebruikt kunnen worden voor de doorvoer van water en sediment uit het gebied. Voor de aanpassing van het padennet kunnen maatregelen worden genomen om de snelheid van afstromend water te remmen, zoals door aanleg van lage drempels met stenen of balken.
  • Sediment opvangen in bekkens; Sediment afkomstig van hoger gelegen landbouwgronden heeft altijd een negatief effect als het binnen een natuurgebied wordt afgezet. In geval de erosiestroom niet of moeilijk is te controleren met bufferstroken of andere maatregelen is opvang van sediment buiten het natuurgebied de beste maatregel.

Lees meer in Bodemerosie in en rond Natura 2000-gebieden in het Heuvelland : De herkenning en beoordeling van erosie- en sedimentatievormen

Ruige mest en bevordering bodemleven

Met name in graslanden (botanische of weidevogelgraslanden) kan bemesting nodig zijn, liefst met ruige mest. Deze mest zorgt ervoor dat voedingsstoffen langzaam vrijkomen en ze bevorderen het bodemleven en het voorkomen van insecten (goed voor onder andere weidevogels). Ook nieuwe vormen van bemesting, zoals bokashi (gefermenteerde mest en maaisel), vormen voeding voor het bodemleven. Daarnaast kan compost of compostthee nuttige eencelligen in het systeem brengen, zeker bij gedegradeerde bodems met weinig bodemleven.

Lees ook het verslag van de werkschuurbijeenkomst 'Gebruik ruige stalmest in natuurbeheer'

Boomsoorten voor beter strooisel

De aanwezigheid van rijk-strooisel producerende boomsoorten zoals winterlinde en Europese vogelkers, zorgen voor de aanwezigheid van regenwormen in de bodem en een rijke bodemfauna. Wanneer zuur-strooisel producerende bomen domineren, komen deze soorten niet in de bodem voor.

Door het betere strooisel en de omzetting van strooisel naar humus, zijn ook de humusprofielen en bodemvorming overduidelijk beter van kwaliteit onder rijk-strooiselsoorten. Ook de bodemkwaliteit zelf is vele malen beter. Dit uit zich onder andere in een betere bodembuffering met hogere pH en hogere calcium- en magnesiumgehalten.

De aanwezigheid van rijk-strooiselsoorten zoals winterlinde, Europese kers en haagbeuk draagt daarmee duidelijk bij aan een verbetering voor de bodemkwaliteit en het bodemleven en daarmee aan de biodiversiteit van het bosecosysteem en de robuustheid (klimaatbestendigheid) van het bos.