Close Menu

Begrazing

Er zijn verschillende typen van beweiding. De belangrijkste zijn:

  • rasterbeweiding (ook wel standbeweiding)
  • jaarrondbeweiding
  • seizoensbeweiding (zomer- of winterbeweiding)
  • drukbegrazing of wisselbeweiding
  • gescheperde beweiding

Doorgaans vindt begrazing plaats binnen een afgerasterd deel van het terrein, de zogenaamde rasterbeweiding of ook wel standbeweiding genoemd. De graasdieren bepalen zelf waar ze willen grazen en waar juist niet. Er ontstaan in een terrein vaste looproutes en graasgradiënten. Op drinkplaatsen en op favoriete rust- en schuilplaatsen vindt vaak verrijking van nutriënten plaats in de vorm van mest en urine. Op plaatsen waar frequent wordt gegraasd, treedt netto afvoer van nutriënten op. Deze vorm van begrazing leidt op termijn dus tot een herverdeling van aanwezige nutriënten.

Rasterbeweiding kan jaarrond of gedurende een seizoen plaatsvinden. Bij jaarrondbegrazing kiest een beheerder voor een graasdruk waarbij gedurende het groeiseizoen de vegetatie extensief wordt begraasd en niet alle aanwezige biomassa wordt weggenomen. Immers, er moet voor de graasdieren voldoende voedsel overblijven om de winter door te komen. Vanwege de geringere kwaliteit van het wintervoedsel (hoog vezelgehalte, lage nutriëntgehalten, geringe verteerbaarheid), nemen de dieren meestal ook knoppen en twijgen van struweelsoorten en bosverjonging mee. Ook in kleinere terreinen (<100 ha) is jaarrondbegrazing een optie, al zal het aantal graasdieren dan beperkt zijn.

Beheerders kunnen er ook voor kiezen om een gebied niet het hele jaar te laten begrazen. Bij zomerbeweiding worden de graasdieren bij de start van het groeiseizoen in het terrein gebracht. De begrazing is doorgaans dermate intensief dat de vegetatie kort afgegraasd de winter ingaat. Bij winterbeweiding krijgt de vegetatie gedurende de zomerperiode de ruimte om tot bloei en zaadzetting te komen en worden graasdieren pas in het terrein gebracht nadat de zaadzetting is voltooid. Met winterbeweiding is nog niet zo veel ervaring.

Een bijzondere vorm van rasterbeweiding is drukbegrazing (ook wel wisselbeweiding of zwerfbeweiding genoemd) waarbij terreindelen periodiek worden beweid binnen een verplaatsbaar raster. Binnen een afgerasterd terreingedeelte van enkele hectares, wordt tijdelijk een hoge graasdruk aangelegd. De begraasde terreindelen worden vervolgens enkele jaren met rust gelaten voordat ze opnieuw worden beweid.

Soms laten beheerders sterk verruigde of vergraste begroeiingen gedurende korte tijd intensief begrazen. Het levert een kortgrazige vegetatie op en gunstige omstandigheden ontstaan voor de kieming en vestiging van veel plantensoorten. Dit is met succes toegepast in vergraste duingraslanden en vergraste heidevelden. Bij deze methode gebruiken beheerders vaak verplaatsbare rasters (flexnetten).

Bij gescheperde beweiding bepaalt de herder in samenspraak met de terreinbeheerder welke terreingedeelten intensief worden beweid en welke niet, en vooral ook in welke perioden van het jaar dit gebeurt. Begrazing van de onderdelen van het landschap met een trekkende kudde met herder verbindt de onderdelen van het landschap die in vroegere tijden functioneel samenhingen (denk bijvoorbeeld aan het essenlandschap), maar in hoge mate versnipperd en geïsoleerd zijn geraakt. De kudde zelf is drager van de ecologische verbinding. Gehoede schaapskuddes kunnen bijdragen aan het herstel van de ecologische infrastructuur van onze oude cultuurlandschappen zoals die eeuwenlang heeft bestaan.

Het voordeel van gescheperde beweiding is dat kwetsbare terreindelen kunnen worden gemeden in periodes van bijvoorbeeld zaadzetting of hoge grondwaterstanden. En sterk verruigde plekken in het terrein kunnen juist extra worden begraasd. Dit leidt tot duidelijke begrazingsgradiënten met toenemende afstand tot de schaapskooi. Met gescheperde beweiding is de afvoer van nutriënten (via faeces) door de graasdieren op andere plekken in het terrein dan waar ze gegraasd hebben.

Graasintensiteit

De graasintensiteit wordt doorgaans uitgedrukt in grootvee-eenheid (GVE). Dit komt overeen met één volwassen rund van 450 kg. Deze eenheid maakt het mogelijk om de graasintensiteit van verschillende diersoorten met elkaar te vergelijken:

  • volwassen rund: 1,00 GVE
  • rund (vaars): 0,70 GVE
  • rund (pink): 0,50 GVE
  • paard: 0,90 GVE
  • pony: 0,65 GVE
  • schaap: 0,15 GVE
  • geit: 0,20 GVE

De toegepaste graasdruk verschilt per natuurgebied. De tabel geeft de gemiddelde graasdruk weer die wordt toegepast in natuurterreinen in verschillende landschapstypen. De getallen zijn gebaseerd op het landelijke overzicht van begraasde terreinen in Nederland. Daarbij is verdisconteerd of er seizoen- dan wel jaarrondbeweiding wordt toegepast.

De graasdruk is overigens zelden constant in een gebied. Bij introductie van grazers in een terrein is het vaak wenselijk om tijdelijk een hoge graasdruk aan te leggen om de verruiging terug te dringen. Het aantal grazers kan in de loop der tijd geleidelijk worden verminderd.

In sommige gevallen heeft een intensieve begrazing de voorkeur. De kortgrazige graslanden met weinig ruigtes die dan ontstaan zijn geschikt voor weidevogels of voor de opvang van ganzen in de winter. Intensieve begrazing is meestal nadelig voor vlinder- en insectensoorten. Deze hebben structuurvariatie nodig die juist ontstaat bij extensieve tot zeer extensieve begrazing.

 

In grotere gebieden (>500 ha) met natuurlijke begrazing kan een fluctuerende graasdruk van belang zijn. In perioden met een hoge dichtheid aan grazers ontstaat meer openheid in de vegetatie. Hiervan profiteren de minder concurrentiekrachtige soorten. In perioden met een lage graasdruk kunnen kwetsbare soorten zich vestigen en uitbreiden. Een constant hoge graasdruk verhoogt de kans op structuurverlies en een constant lage graasdruk leidt tot verbossing. Monitoring kan uitwijzen op welk moment en op welke wijze moet worden bijgestuurd in de aantallen grazers.

Ten slotte kunnen ook andere overwegingen meespelen bij het bepalen van de graasdruk. Soms zijn er belangrijke planten- of diersoorten aanwezig die schade kunnen ondervinden aan een al te hoge graasdruk.