Close Menu

Begrazing

Het begrazen van natuurterreinen gebeurt doorgaans met paarden, runderen of schapen. Elk van deze dieren hebben een ander graasgedrag en het effect op de vegetatie kan dan ok flink verschillen. Een beheerder doet er goed aan om eerst te bedenken wat het doel van de begrazing is alvorens te kiezen voor een diersoort of combinatie.

Runderen

Ongeveer 8.000 jaar geleden werd het oerrund gedomesticeerd. Daarmee werden de runderen kleiner en de horens korter. Bij begrazing van natuurgebieden wordt vaak gebruikt gemaakt van oorspronkelijke Europese runderrassen.

Schotse Hooglanders worden al eeuwenlang gehouden onder de uiterst schrale omstandigheden van de Schotse Hooglanden. Ze zijn vooral geschikt voor het uitvoeren van extensieve begrazing in voedselarme milieus zoals op heide, verdroogd hoogveen, veenweide, arme bossen en in voormalig, verschraald cultuurlandschap. Ze kunnen verruigde terreinen met veel pijpenstrootje kort afgrazen. Ze vreten struikheide, struweel en foerageren soms graag in het bos. Indien de dieren op rijkere gronden worden gehouden, zoals op cultuurgrond of op kleigrond, of wanneer ze veel worden bijgevoerd gedijen ze doorgaans slecht. Ze hebben weinig verzorging nodig en kalven probleemloos af. Daarmee zijn de beheerkosten doorgaans laag. In gebieden met weinig calcium, fosfor en jodium is het vaak wel nodig om de dieren mineraalblokken te geven.

Net als de Schotse Hooglander is de Galloway een ras dat is aangepast aan het leven onder schrale omstandigheden. Galloways zijn geschikt om zowel droge als natte graslanden te begrazen. Galloways worden op veel plaatsen in het rivierengebied ingezet, veelal in combinatie met koniks.

Het Heckrund is rond 1930 ontstaan door kruising van diverse runderrassen met een verondersteld primitief uiterlijk, te weten het Corsicaanse rund, Camargue-rund, Schotse Hooglander, Spaans vechtrund, Hongaars stepperund en Engels parkrund. Het zijn allemaal langhoornige rassen, met vermeende oeroskenmerken. De Duitse gebroeders Heck gingen uit van het idee dat door het kruisen van verschillende primitieve Europese runderrassen een ras zou worden gecreëerd dat zou lijken op het oorspronkelijke oerrund. Het Heckrund is minder geschikt voor opengestelde natuurterreinen omdat ze agressief kunnen zijn tegen mensen.

Het Brandrode rund is een doorgaans heel rustige ras, redelijk winterhard en blijft goed in conditie, ook wanneer het voedsel schraler wordt.

Andere veel gebruikte runderrassen zijn Charolaisrund, Limousinrund, Hereford, Lakenvelder en Groninger blaarkop.

Paarden

Van de voorouders van het huispaard is slechts één ras overgebleven, het Przewalskipaard. Uit historische tijden zijn daarnaast nog twee andere rassen bekend: de tarpan en de bostarpan.

De Konik is oorspronkelijk afkomstig uit Polen. Vroeger hadden Poolse boeren paardjes waarvan men dacht dat die sterk op het uitgestorven Europese wilde paard (tarpan) leken en die ze gebruikten om het land te bewerken. Rond 1920 werden twintig dieren geselecteerd met kenmerken waarvan men dacht dat die overeenkwamen met eigenschappen van de tarpan. Het is echter twijfelachtig of Koniks echt zo veel lijken op het tarpan. Koniks zijn in natuurgebieden sterke paarden met een hoge mate van zelfredzaamheid.

IJslandse paarden stammen waarschijnlijk af van een kleine ondersoort van het wilde paard. Ze hebben nauwelijks verzorging nodig. Ze zijn aangepast aan barre omstandigheden en schrale gronden.

De Exmoor pony's behoren tot een van de oudste en meest geharde rassen en zijn heel geschikt voor begrazing in schrale natuurterreinen. Op voedselrijke gronden lopen ze een groot risico 'hoefbevangen' te raken. Ze tonen weinig interesse in mensen, waardoor er vrijwel nooit problemen met recreanten zijn. Onder natuurbeheerders wint de Exmoor pony aan populariteit.

In Vlaamse kustduinen wordt geëxperimenteerd met de inzet van ezels. Ten opzichte van andere paardenrassen hebben ze veel meer 'browse' in het dieet (tot 20%). Ezels kunnen goed voedsel van lage kwaliteit verteren en de energiebehoefte is lager dan bij andere paardenrassen. Ezels zijn vriendelijk voor het publiek.

Andere veel gebruikte paardenrassen zijn Przewalski-paard, Noors fjordenpaard en New Forest pony.

Schapen

Schaapskudden hebben eeuwenlang onderdeel uitgemaakt van het Nederlandse landschap in al haar verscheidenheid. Door aanpassing aan de lokale omstandigheden en gerichte selectie zijn in de loop van de tijd verschillende rassen ontstaan. Op de rijke gronden van kwelders, schorren, dijken en polders waren dit de kustschapen en op de arme gronden de heideschapen.

Het Drents heideschaap komt oorspronkelijk van de heidevelden van Zuidoost Friesland, Zuidoost Groningen en Drenthe. Van alle Nederlandse heideschapen is de 'Drent' het best aangepast aan schrale omstandigheden.

Het Veluwse heideschaap werd vroeger behalve op de Veluwe ook gehouden op heidegronden in Utrecht en Overijssel. Doordat het toen niet alleen voor de mestproductie werd gehouden maar ook als vleesproducent, is het een wat groter schaap. Het vraagt wat rijkere gronden dan het Drents heideschaap.

Het Mergellandschaap is een middelgroot, smal, ongehoornd schaap en van belang voor het beheer van kalkgraslanden in Zuid-Limburg.

Het Soay-schaap is van alle Europese huisschapen het meest primitief. Het doet sterk denken aan de wilde moeflon (kortharig, vaak bruine vacht, witte buik, witte billen en forse cirkelvormige horens). Het is aangepast aan vrij harde klimaatomstandigheden en heeft daarom weinig verzorging nodig. Het is veel minder gevoelig voor parasieten en andere typische schapenaandoeningen in vergelijking tot andere rassen. In tegenstelling tot heideschaaprassen kan het Soay-schaap ook in vrije natte gebieden grazen. De dieren laten zich niet hoeden.

De Texelaar, een typisch weideschaap, is momenteel het meest populaire schapenras in ons land. De Texelaar kan alleen op rijkere gronden leven.

Andere schapenrassen in Nederlandse natuurgebieden zijn Schoonebeker schaap, Kempische heideschaap, de Duitse zwartkop, het Fries en Zeeuws melkschaap, en de Nederlandse landgeit.