Close Menu

N17.06 Vochtig en hellinghakhout

Overstaanders verwijderen
In doorgeschoten essenhakhout zijn vaak ook opgaande bomen aanwezig. In het algemeen verdient het aanbeveling deze overstaanders te verwijderen. De hergroei van pas gekapte stobben, die na een lange periode van nietsdoen toch al problematisch kan zijn, wordt namelijk ook belemmerd door de schaduwwerking. Bij het verwijderen van overstaanders moet er natuurlijk naar worden gestreefd de hakhoutstoven zo min mogelijk te beschadigen.

Inboeten
Waar oude essenhakhoutstoven zijn afgestorven kan worden ingeboet met nieuwe aanplant. Dit geldt ook voor toekomstige overstaanders in middenbos. Traditioneel werd hierbij een onderlinge afstand gehanteerd van vier voet (140 cm) in het vierkant. Uit oogpunt van natuurbehoud is een wijder verband van de stoven geen bezwaar, zolang deze niet zo wijd staan dat na de kap geen snel herstel van het bosklimaat optreedt. Een iets grotere afstand tussen de nog vitale stoven levert tevens de mogelijkheid aftakelende en dode stoven binnen het perceel te handhaven. Inboeten zou dus beperkt moeten blijven tot die plekken waar na kap open plekken in het kronendak blijven bestaan. Bij essenhakhout is het goed om bij het inboeten de mengverhouding es-iep te herstellen, liefst met iepenklonen die resistent zijn tegen de iepenziekte.

Het inboeten van open plekken vormde een belangrijk onderdeel van het traditionele beheer van wilgengrienden. Stoven die grenzen aan open plekken lopen te breed uit, hetgeen leidt tot kwaliteitsverlies (‘kromhoutigheid’). Een bijplant van 10 procent van het aanwezige aantal stoven per kapbeurt was gangbaar.

Gefaseerd afzetten
Bij lang onbeheerde, grote hakhoutstoven (met name essen) kan het raadzaam zijn de kap gefaseerd uit te voeren waarbij de stammen eerst enige decimeters boven de oude stobben worden afgezaagd om te zien in hoeverre er nog slapende knoppen geactiveerd kunnen worden. In de volgende winter kan de stam tot aan de uitlopers worden afgezet. Een bijkomend voordeel van dit gefaseerde afzetten is dat de kans op uitscheuren van de stoof tijdens het werk wordt verkleind.

Tegengaan van verruiging
Voor het herstel van middenbosbeheer is beteugeling van explosieve groeiers als bosrank en braam van groot belang. Dit kan gebeuren door maaien of klepelen, gevolgd door afvoeren. Zonder afvoer zal de maatregel averechts werken.

Licht op de bosbodem
Het eerste en wellicht belangrijkste doel van het herstelbeheer in doorgeschoten middenbos is weer licht toe te laten op de bosbodem. Dit betekent dat een aanzienlijk deel van de bomen en struiken moet worden verwijderd, of afgezet op of iets boven de oude. Als vuistregels kunnen hierbij gelden

  • Streef naar een kroonbedekking van 20 procent voor de overstaanders
  • Spaar toekomstige overstaanders in verschillende leeftijdsklassen
  • Begin met een korte kapcyclus van circa tien jaar.

In de meeste herstelexperimenten blijkt dan na twee à drie kapcycli herstel van de oorspronkelijke biodiversiteit op gang te komen.
Lees meer over het belang van licht voor bosviooltjes in het artikel in De Levende Natuur.

Gekapte biomassa afvoeren
Een gevolg van herstelbeheer met kap is een sterke en plotselinge mineralisatie van organische stof op de bosbodem, wat leidt tot aanzienlijke verruiging. Gekapt materiaal op de bosbodem verergert dit probleem. Het is daarom zaak om na het kappen zoveel mogelijk gekapte biomassa uit het bos te verwijderen.

Boomsoortsamenstelling herstellen
Het kan voor herstel van middenbos noodzakelijk zijn om de boomsoortsamenstelling te veranderen, omdat es en esdoorn gaan domineren, en hazelaarstoven terugvallen in vitaliteit en bedekking. Het is dan nodig bepaalde soorten aan te planten, vooral eik en in mindere mate ook zoete kers. Daarnaast kan bestrijding van opslag van robinia nodig zijn aangezien deze soort extra stikstof in de bodem brengt en vooral op de drogere hellinggedeelten steeds vaker plaagvormend optreedt.

Verandering van boomsoortsamenstelling kan ook als inrichtingsmaatregel worden overwogen, omdat boomsoortsamenstelling overal verschilt. Eik, zoete kers en es speelden van oudsher een belangrijke rol, evenals iep. Belangrijke soorten van de hoge hakhoutlaag zijn haagbeuk, esdoorn, linde en es. In de lage hakhoutlaag is dat hazelaar.