Close Menu

N17.06 Vochtig en hellinghakhout

Beheerachterstand
Doorgeschoten essenhakhout is gevoelig voor scheuren, waarna rotten en afsterven van de stoof dreigt. De eerste jaren na de kap is het belangrijk ruigtekruiden te verwijderen die de jonge uitlopers van de stoof kunnen verstikken.

Eutrofiëring
Essenhakhoutpercelen op komklei en in strandvlakten zijn gevoelig voor eutrofiëring door landbouwwater. Hellingbossen zijn ook gevoelig voor het inwaaien en inspoelen van meststoffen vanuit aangrenzend landbouwgebied. Het gevaar is tweeledig: directe effecten op aanwezige waarden in de ondergroei, en versterking van verruiging na kap. Ook verdroging kan leiden tot eutrofiëring.

Iepenziekte
De iepenziekte kan een grote bedreiging vormen voor gemengd hakhout met es en iep. Goed onderhouden, regelmatig gekapte iepenstoven zouden minder gevoelig zijn voor iepenziekte dan doorgeschoten hakhout. Dit is echter niet geheel zeker.

Isolatie
Voor middenbos is isolatie tegenwoordig een groter knelpunt dan voorheen. Dat komt doordat er in de afgelopen decennia in alle hellingbossen sprake geweest van een achteruitgang van de biodiversiteit, met name van de weinig schaduwtolerante soorten. Hierdoor is na het lokaal uitsterven van een soort, hervestiging vaak lastiger dan voorheen; de afstand tot de dichtstbijzijnde bronpopulatie is gemiddeld groter geworden. Ook heeft intensivering van het landschapsgebruik op de tussenliggende landbouwgronden de verspreidingsmogelijkheden van bos(rand)soorten verminderd. Het belangrijkste probleem daarbij is dat veel lijnvormige landschapselementen die vroeger een begroeiing hadden van bomen en struiken (zoals holle wegen en graften) zijn verdwenen; deze dienden als corridor voor verspreiding. Zie het OBN-rapport Verkenning herstel kleinschalige lijnvormige infrastructuur Heuvelland.

Kans: Hardhoutooibos in natuurontwikkeling
Voor harthoutooibossen in rivierengebied zijn er kansen voor grootschaliger natuurontwikkeling. De relatief weinig voorkomende hardhoutooibossen kunnen zich succesvol vestigen en uitbreiden in bestaand zachthoutooibos, dat veel algemener is. In hoeverre dat gebeurt, wordt bepaald door factoren als bodemhoogte en overstromingsfrequentie, die op groeiplaatsen van zachthoutooibos praktisch niet door het beheer te beïnvloeden zijn. Maatregelen gericht op uitbreiding van bestaand ooibos over een bredere gradiënt van groeiplaatstypen, gelden hier als de beste ontwikkelingsstrategie. Begrazing door runderen of paarden draagt in het algemeen sterk bij aan differentiatie van de vegetatiestructuur en -ontwikkeling. Uitzondering hierop is de vraat door bevers, die de vestiging en ontwikkeling van hardhoutboomsoorten door selectieve vraat lijken te belemmeren. Zie ook de OBN-brochure Herstel en ontwikkeling van hardhoutooibossen.