Close Menu

N17.05 Wilgengriend

Waterhuishouding
Voorwaarde voor een griendcultuur is een goed functionerende hydrologische infrastructuur. Herstel van verwaarloosde grienden begint daarom met het weer op diepte brengen van de greppels en herstel van het netwerk van kades en duikers.
Optimale groeiomstandigheden voor wilgen wat betreft de vochttoestand vereisen een GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) van minimaal 25 cm onder maaiveld en een GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) die niet dieper ligt dan 120 cm onder maaiveld. Daarvoor zijn ook de nodige ‘kunstwerken’ nodig: greppels en duikers voor de afwatering en kades om het water vast te houden.

Tegengaan van verruiging
Voor wilgengrienden is het tegengaan van verruiging door met name brandnetel en distel belangrijk, omdat wilgenstoven zich anders niet goed ontwikkelen, grienden ontoegankelijk worden en het risico op ziekten en plagen toeneemt. Verruiging treedt het sterkst op in grienden die aan het verdrogen zijn. Van oudsher werd met de zeis gemaaid, tegenwoordig wordt ook chemische bestrijding toegepast.

Ook voor het herstel van middenbosbeheer is beteugeling van explosieve groeiers als bosrank en braam van groot belang. Dit kan gebeuren door maaien of klepelen, gevolgd door afvoeren. Zonder afvoer zal de maatregel averechts werken.

Behouden of laten doorschieten?
Wilgengrienden zijn onder andere vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevol, en hebben ook een specifieke ecologische waarde. Voor flora en fauna geldt dat bij het doorschieten van de grienden aanvankelijk een verlies aan waarden optreedt en later weer een toename. Dit betekent dat een beheerder van doorschietende wilgengrienden zo snel mogelijk moet beslissen: herstellen of laten gaan.

De vraag is dan wel welke grienden in aanmerking zouden moeten komen voor herstelbeheer. Vanuit cultuurhistorisch perspectief zijn dit in de eerste plaats de grienden dichtbij een bezoekerscentrum of museum. Vanuit botanisch oogpunt geldt dat herstel van grienden het meest kansrijk is in het zoetwatergetijdengebied en in de uiterwaarden die laaggelegen zijn en nog regelmatig kunnen overstromen. Vanuit landschappelijk en faunistisch oogpunt is het echter ook aan te bevelen wilgengrienden in de binnendijkse komklei- en klei-op-veengronden in het rivierengebied te bewaren en waar nodig te herstellen. Zie beheercasus voor voorbeelden van doorgeschoten en behouden grienden.