Close Menu

N17.03 Park- en stinzenbos

Achterstallig onderhoud wegwerken, bosstructuur herstellen
Bij herstel gaat het in de eerste plaats om het wegwerken van  achterstallige onderhoud en herstel  van de gewenste structuur (bosopbouw en -samenstelling). Wat nodig en gewenst is, verschilt zeer sterk per situatie. Voor een ingrijpende omvorming zal zelden aanleiding zijn. Wel kan een omvorming van het bomenbestand zinnig zijn (zie onder).

Boomsoortkeuze
De grote variatie in boomsoorten in park- en stinzenbossen verhoogt de variatie in milieutypen en is alleen al daarom in ecologisch opzicht gunstig. Een spaarzame gebruik van nieuwe exoten in de boomlaag is hierbij niet bezwaarlijk (zie onder bedreigingen en kansen). Niet alle boomsoorten zijn echter even geschikt, wat verband houdt met de lichtonderschepping en het geproduceerde bladstrooisel. Loofboomsoorten zijn in het algemeen te verkiezen boven naaldbomen; het gebruik van enkele verspreid staande coniferen is echter geen probleem. Boomsoorten die weinig licht doorlaten zoals beuk en esdoorn, mogen niet over grote oppervlakten domineren.
Ook los van de boomsoortkeuze en manier van aanplanten (niet te dicht opeen) dient het lichtklimaat een voortdurend punt van aandacht te zijn: stinzenbossen zijn lichter (opener) dan natuurbossen en productiebossen. Tenslotte zijn soorten met goed afbreekbaar `rijk' bladstrooisel gunstiger dan die met slecht afbreekbaar `arm' strooisel. Es, abeel, iep, esdoorn en vooral linde zijn in dit opzicht een goede keuze. Eik en beuk geven strooisel dat slechter afbreekt. Hoe zwaar dit weegt, wordt sterk bepaald door de bodemgesteldheid. Op zandgronden is wat strooisel betreft de boomsoortenkeuze belangrijker dan op kleigronden. Zandgronden zijn gevoeliger voor verzuring, waardoor slecht verterend bladstrooisel eerder een probleem kan gaan vormen. Dit geldt ook voor kalkhoudende duinzanden. Die profiteren door de aanwezige schelpfragmentjes de tijdelijke aanwezigheid van veel kalk, maar zijn – na uitloging van de bovengrond door regen – door gebrek aan leem en organische stof slecht gebufferd tegen verzuring.

Herintroductie
Omdat park- en stinzenmilieus doorgaans sterk geïsoleerd van elkaar liggen en hun milieueisen vaak zeer specifiek zijn is bij herstel van verwaarloosde locaties herintroductie van soorten vaak onontkoombaar. Dit dient bij voorkeur te gebeuren door uitzaai. Niet altijd is de groeiplaats geschikt voor kieming en overleving van de kiemplant. Als uitzaaien niet werkt is introductie mogelijk door het inbrengen van bollen, knollen of wortelstokken. Hierbij dienen soortenkeuze en herkomst zo veel mogelijk aan te sluiten bij de historische situatie. Ook de exacte locatie van de herintroductie is een punt van aandacht. Stinzenplanten en inheemse bosplanten hebben namelijk gemeen dat zij zich in den regel traag over grotere afstanden kunnen verspreiden, terwijl vrijwel alle soorten ergens binnen de gradiënt van gazon naar gesloten bos hun optimale standplaats hebben. Om het succes van de herintroductie te kunnen vaststellen is het belangrijk om de herkomst van het zaaigoed of plantmateriaal en de plek van introductie goed te documenteren.

Gaten in het kronendak
Park- en stinzenbossen zijn meestal niet zo groot. Windworp kan daardoor gemakkelijk een relatief groot deel van het bos in één keer wegvagen. Grote stormgaten kunnen daarom het beste snel worden opgevuld met jonge aanplant. Ook kan het nodig zijn om plotseling aan het licht blootgestelde beukenstammen rond het stormgat in te pakken in jute. Bosontwikkeling door natuurlijke verjonging past minder goed bij het karakter van een landgoedbos met zijn gevarieerde maar veelal weinig natuurlijke boomsoortsamenstelling. Ook dient massale ontwikkeling van ruigtekruiden in stormgaten te worden beteugeld door maaien en afvoeren. Het doel hiervan is het sturen van de concurrentieverhoudingen in het voordeel van karakteristieke soorten, niet een verschraling van de bosbodem.

Bodembeheer
Een goed stinzenmilieu vergt een goede bodemstructuur, voldoende organische stof en een actief bodemleven. Door het achterwege blijven van het traditionele beheer kan de benodigde bodemkwaliteit achteruitgaan, waardoor de vitaliteit van stinzenplanten kan afnemen. In dat geval dient weer een actief bodembeheer te worden geïntroduceerd, bestaande uit (lichte) bemesting met organische mest, verwerking van bagger, opbrengen van compost en/of eventueel bekalken. Bij het opbrengen van organisch materiaal dient de laag niet dikker dan circa 10 centimeter te zijn. Ook ondiep loswerken van de bodem kan de bodemcondities voor de bol- en knolgewassen verbeteren. Deze werkzaamheden dienen buiten het groeiseizoen en bij voorkeur in de nawinter of het vroege voorjar te gebeuren.

Verruiging en dominantie terugdringen
Een ander aspect van het achterwege blijven van het traditionele beheer van stinzenmilieus is het dominant worden van klimop en ruigtesoorten als fluitenkruid en brandnetels. Voor herstel van de stinzenflora is het nodig de betreffende soorten, buiten het groeiseizoen, actief terug te dringen door wortelstokken en uitlopers te verwijderen. Doorgaans geeft een combinatie met actief bodembeheer het beste effect.

Geleidelijke overgangen
In parklandschappen verdient een geleidelijke overgang van een open, ‘cultuurlijk’ terreingedeelte (vaak nabij het landhuis) naar een gesloten, meer natuurlijk opgaand bos voortdurende aandacht van de beheerder. Het resultaat is  een grote diversiteit aan standplaatsten en biotopen:

  • gazons bezaaid met crocussen en sneeuwroem rond het landhuis
  • lanen met winterakonieten en sneeuwklokjes
  • bosranden met stengelloze sleutelbloemen
  • open parkbossen met bostulpen en half-natuurlijke kleebwälder met holwortel en lenteklokjes
  •  in het geval van de binnenduinrand – een nagenoeg natuurlijke boszone met veel salomonszegel en lelietje-der-dalen.

In stinzenmilieus ligt het anders. Daar dienen eventuele gradiënten dienstig te zijn aan de locatiespecifieke samenstelling van de stinzenflora. Soms is die gebaat bij overgangen, soms bij uniform open bos of meer grazige ondergroei.

Schelpenpaden
Traditioneel werden paden in park- en stinzenbossen vaak verhard met schelpen, vooral in de binnenduinrand. Op beperkte schaal gebeurt dit nog steeds. Naast hun cultuurhistorische waarde heeft verharding met schelpen een belangrijke ecologische betekenis. Door uitspoeling van kalk worden de padranden meer kalkhoudend, wat gunstig is voor veel karakteristieke oud-bos- en stinzensoorten. Daarnaast kan bij het onderhoud van de paden (periodiek bijstorten van schelpen) kalkstof metersdiep het bos in stuiven, wat ook dieper in het bos de typische bos- en stinzenflora bevordert.

Wel of geen dood hout?
De beheerder van landgoedbossen staat vaak voor moeilijke beslissingen. Vrij baan geven aan de natuurlijke ontwikkeling bijvoorbeeld is niet alleen een goedkope oplossing voor veel problemen, maar ook vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt interessant. Oude, natuurlijke bossen op vergelijkbare groeiplaatsen zijn in ons land vrijwel afwezig en ongestoorde bosontwikkeling zal mogelijk nog vele verrassingen opleveren. Een bestemming als park- of stinzenbos is echter niet verenigbaar met een bestemming als natuurbos met nietsdoen-beheer. Ook voor ongestoorde bosontwikkeling in grote stormgaten is er geen plaats, noch letterlijk noch Het verdient daarentegen ook geen aanbeveling om bij windworp, of na kap, meteen al het dode hout op te ruimen. Dood hout kan, zeker wanneer het gaat om stammen van oude monumentale bomen, een aanzienlijke toename van de biodiversiteit opleveren en tegelijkertijd goed passen in het enigszins kunstmatige, romantische karakter van deze bossen. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van oude, holle en rotte bomen.