Close Menu

N16.03 Droog bos met productie

Structurele aanpak nodig van stikstofdepositie
Droog bos heeft veel te leiden van de stikstofdepositie en verzuring. Het komt voor in het landschapstype Droog zandlandschap, waar vanwege de vele intensieve landbouw de stikstofdepositie het hoogst is terwijl de bodem er erg voedselarm is. Voor herstelbeheer is, naast de aanpak van de intensieve landbouw als bron van stikstofdepositie, een structurele aanpak nodig. Meer informatie hierover staat in de OBN-brochure 'Arme bossen verdienen beter'.

Koester de bosbodem
De bodem vormt de basis van alle ontwikkelingen in het bos. Het is van groot belang dat brongerichte maatregelen genomen worden om de toevoer van stikstof tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Zolang dit nog niet is gerealiseerd kan de beheerder de volgende maatregelen in overweging nemen:

  • Voorkom uitspoeling van voedingsstoffen uit het systeem door bij verjonging de bosbodem zoveel mogelijk beschaduwd te laten door een scherm of door in kleine groepen te verjongen.
  • Zorg voor goede humusomzetting door boomsoorten zoveel mogelijk in menging te laten opgroeien, en het aandeel van soorten met goed afbreekbaar strooisel (onder andere berk, grauwe abeel, ratelpopulier, gewone esdoorn, hazelaar, linde en Amerikaanse vogelkers) in deze mengingen te vergroten.
  • Beperk de afvoer van voedingsstoffen bij houtoogst op arme bodems, omdat dit kan leiden tot verschraling van de bodem.
  • Pas het gebruik van zware machines aan om de bosbodem te beschermen tegen fysieke degradatie: gebruik dunnings- en uitsleeppaden en berijd de bosbodem alleen bij droog weer of met vorst.

Inrichting en zonering
De huidige inrichting en verdeling van bostypen is vanuit het verleden overgeërfd, maar hoeft niet de meest gunstige te zijn voor het realiseren van gewenste terreindoelen. Zonering van functies of doelen kan sterk bijdragen aan een verbeterd functioneren en optimalisatie van doelen. Een aantal mogelijke maatregelen daarbij zijn:

  • Behoud oude bosgroeiplaatsen als reservoir voor planten- en diersoorten en gebruik oude infrastructuur als bospaden en -wegen als habitat en transportroute voor deze soorten.
  • Zorg voor voldoende variatie in milieucondities en gradiënten.
  • Zorg voor afwisseling tussen licht en donker door te variëren in lichte en donkere bostypen en in de dichtheid van de bossen.
  • Maak ruimte in het bos voor permanent open plekken door actief pleksgewijs de verjonging te verwijderen of benut het netwerk aan paden en wegen als permanent habitat voor lichtminnende soorten en als corridor voor de verspreiding daarvan.
  • Spaar oude bomen, bomen met bastwonden en boomholtes en wijs bomen aan die tot hun einde kunnen blijven staan – de zogenaamde 'veteraanbomen' of 'habitatbomen'.
  • Zorg voor 'dood-houteilanden', verspreide vlakken waar een natuurlijke ontwikkeling richting aftakelingsfase wordt getolereerd, voor het realiseren van refugia en uitvalsbases voor aan dood hout gebonden organismen.
  • Gebruik de bosrand voor waardevolle biodiversiteit op overgangen van het bos naar het oude cultuurlandschap.

Nieuw bos aanleggen is kansrijk
De verwachting is dat in de nabije toekomst op wereldschaal de vraag naar hout zo sterk zal stijgen dat aanleg van jong productiebos economisch aantrekkelijk zo niet noodzakelijk zal worden. Tevens kunnen nieuwe bossen een rol spelen in het afvangen van het broeikasgas CO2, wat het doel is van het Actieplan bos en hout. Dit biedt mogelijkheden voor de aanleg van nieuwe productiebossen. De locatiekeuze is hierbij van groot belang. Het gaat daarbij om:

  • de bodemkundige en hydrologische omstandigheden die sturend zijn voor de ontwikkeling van de ondergroei en beperkingen stellen aan de boomsoortsamenstelling;
  • aansluiting met oudere bossen, met name oude boskernen van vóór 1850, waarmee de kansen worden verhoogd voor vestiging van plantensoorten met een beperkte verbreidingscapaciteit.

Beperk de graasdruk
Door begrazing op landschapsschaal worden open ruimtes ontwikkeld en ontstaan contrasten in lichtklimaat. Ook vertraagt begrazing de successie. In bossen met een productiedoelstelling is een hoge graasdruk echter nefast voor het realiseren van verjongingen van de gewenste soortensamenstelling en dichtheid. Voor het ontstaan van een gevarieerde bosverjonging met voldoende potentie voor toekomstige houtoogst is een lage graasdruk een absoluut vereiste. Indien dit niet gerealiseerd kan worden moet verjonging worden uitgerasterd.