Close Menu

N14.03 Haagbeuken- en essenbos

Kalkhellingbos
De hier besproken kalkhellingbossen betreffen bossen op ondiepe kalkbodem (mergel), loess en colluvium. Ze beperken zich in Nederland tot Zuid-Limburg, waar ze voorkomen op hogere zandgronden en heuvelland. De Zuid-Limburgse hellingbossen werden eeuwenlang beheerd als middenbos, dat wil zeggen als hakhout met overstaanders. Ze worden al sinds het midden van de twintigste eeuw niet meer als zodanig beheerd. (Bossen die nog wel of weer actief als middenbos of hakhout beheerd worden, worden op deze site behandeld bij Vochtig hakhout en middenbos. Een klein deel van de huidige hellingbossen is bosaanplant of spontane bosopslag op voormalige schrale, vaak door schapen begraasde hellinggraslanden. 

Typische kalkgebonden soorten zijn: ruig klokje, wilde akelei, wolfskers en diverse orchideeën, waaronder purperorchis, mannetjesorchis, bergnachtorchis, bleek bosvogeltje, wit bosvogeltje en vliegenorchis.

Het middenbos is uitgesproken rijk aan orchideeënsoorten; het merendeel van deze soorten is geheel of vrijwel geheel tot dit bostype beperkt. Veelvoorkomende soorten zijn: bergnachtorchis, bleek bosvogeltje, wit bosvogeltje, geelgorene wespenorchis, grote keverorchis, mannetjesorchis, purperorchis, vliegenorchis en vogelnestje. Op plekken met een rijke bosflora komen bovendien ook verschillende zeldzame, kalkgebonden paddenstoelen voor. Kalkhellingbos kent veel kenmerkende soorten muizen, vlinders en amfibieën; ook het vliegend hert komt hier voor.
Meer lezen: Pre-advies hellingbossen in Zuid-Limburg.

Habitattypen
Deze variant valt onder het habitattype H9160: Eiken-haagbeukenbossen

Bossen op oude klei en leembodem
De hier bedoelde bossen zijn opgaande bossen op bodems die tot op een diepte van minimaal 60 centimeter uit leemgrond bestaat. Deze bossen komen vooral (maar niet uitsluitend) voor in Zuid-Limburg, waar ze onderdeel uitmaken van complexe hellinggradiënten. Bossen op leem zijn betrekkelijk zeldzaam, en doorgaans al oud. Leemgronden zijn van nature niet echt voedselarm, maar ook niet erg rijk, wat ze erg geschikt maakt voor een soortenrijke bosflora. Bossen op leemgronden kenmerken zich door gestructureerde randen met soorten- en bloemrijke mantel- en zoomgemeenschappen.

Typische soorten voor dit bostype zijn: bosanemoon, bosgierstgras, boskortsteel, boszegge, donkersporig bosviooltje, eenbes, gele dovenetel, gevlekte aronskelk, grote keverorchis, kleine maagdenpalm, muskuskruid, slanke sleutelbloem en zwartblauwe rapunzel.

De leemgronden zijn vooral het domein van de Eiken-Haagbeukenbossen (Carpinion betulae). Aangrenzend kunnen de volgende bostypen voorkomen:

  • Essen-bronbos (Carici remotae-Fraxinetum), op plekken die onder invloed staan van basenrijk grondwater.
  • Beuken-Eikenbos (Fago-Quercetum), op leemgronden die juist uitgesproken voedselarm en zuur zijn. Het Beuken-Eikenbos vertoont geringe overlap met Eiken-Haagbeukbos en Essen-bronbos
  • Veldbies-Beukenbos (Luzulo-Fagetum), in de arme leembodem in het uiterste zuidoosten van het Limburgse heuvelland

Habitattypen
De Carpinion-bossen vallen onder het habitattype H9160 Eiken-Haagbeukenbossen. Het Luzulo-Fagetum behoort tot het habitattype H9110 Veldbies-Beukenbossen. De Fago-Quercetum-bossen vallen onder het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst, maar alleen indien het bossen van vóór 1850 betreft. Rompgemeenschappen van het Quercion vallen niet onder de habitatrichtlijn.

Schematische doorsnede van een Limburgse kalkhelling. Op de uiteenlopende delen komen verschillende varianten van het haagbeuken- en essenbos voor, van kalkhellingbos waar kalk aan de oppervlakte komt tot bostypen van zuurdere bodems op het plateau.  Naar Bobbink e.a. 2008.