Close Menu

N14.03 Haagbeuken- en essenbos

Bos wordt donker
Het beheer als middenbos kenmerkte zich door het regelmatig verwijderen van de struiklaag en een deel van de boomlaag, en zorgde voor een zeer variabel lichtklimaat en frequent optredende kapvlaktestadia. Door het beëindigen van deze beheervorm ontstond gaandeweg een gesloten boomlaag en werd het bos permanent donker. Soorten die gebonden zijn aan het kapvlaktestadium en lichtminnaars verdwijnen dan uit het bos. Veel bossen zijn nog te jong om ook stadia van aftakelende bomen en open plekken te bevatten.

Minder kalk door rust
Het beëindigen van het middenbosbeheer betekent ook een vermindering van dynamiek. Het beheer ging gepaard met betreding, uitslepen van hout en uitgraven van stobben. Dat resulteerde in bodemerosie en vers kalkrijk bodemmateriaal aan de oppervlakte. Soorten die afhankelijk zijn van deze kalkrijke plekken zullen zonder actief ingrijpen minder talrijk worden of verdwijnen, zeker in combinatie met uitspoeling en bodemverzuring.

Meer nutriënten en strooisel
Een derde gevolg van het beëindigen van middenbosbeheer is een toename van nutriënten en strooisel. Voorheen werden voedingsstoffen voortdurend onttrokken met verschraling en bodemdegradatie tot gevolg. Beëindiging hiervan betekent enerzijds herstel van de bodemvruchtbaarheid, maar anderzijds een bedreiging van de aan de verschraalde bodem aangepaste plantensoorten en bijbehorende fauna. De toename van slecht afbreekbaar strooisel van bijvoorbeeld eik en beuk vormt een extra knelpunt voor kalkminnende soorten.

Versnippering verhindert verspreiding
Hoewel de totale oppervlakte hellingbos in de afgelopen eeuw is toegenomen, wordt de isolatie een steeds groter probleem voor kenmerkende soorten. Dat komt enerzijds door kwaliteitsverlies in de bossen zelf, waardoor hervestiging van soorten na lokaal uitsterven moeilijk is. Anderzijds verhindert intensiever landgebruik op de tussenliggende gronden de verspreiding van bossoorten meer dan voorheen. Ook zijn veel verbindende lijnvormige landschapselementen verdwenen, zoals holle wegen en graften.

Vermesting verslechtert bodem
Een groot deel van de bossen op leemgronden ligt op steile hellingen, met zowel aan de boven- als onderkant intensief landbouwkundig gebruik. Door het afspoelen van meststoffen zijn vooral de bovenranden kwetsbaar. En daar ligt nu juist de zone met bodems met een relatief gering vermogen om voedingstoffen in te bouwen in stabiele humus; deze zijn het gevoeligst voor vermesting.

Verdroging door lekken in systeem
Verdroging speelt een rol in leembossen. Door de stagnerende toplaag raakt de bodem in natte perioden soms waterverzadigd. Door kleine hoogteverschillen ontstaat dan lokaal grondwaterstroming. Wanneer drainagegreppels worden gegraven of de leemlaag wordt doorgegraven kunnen lekken ontstaan in het systeem. Zie ook de OBN-brochure Vochtige Bossen – Tussen verdrogen en nat gaan.