Close Menu

N14.01 Rivier- en beekbegeleidende bossen

Het beheertype N14.01 kent vijf varianten:

Rivierbegeleidende bossen in het rivierenlandschap:
1) Zachthoutooibos;
2) Hardhoutooibos;

Beekbegeleidende bossen in het beekdalenlandschap en heuvellandschap:
3) Broekbos;
4) Vogelkers-essenbos;
5) Bronbos (goudveil-essenbos)


Zachthoutooibos
Zachthoutooibos, ook wel wilgenvloedbos genoemd, komt voor in uiterwaarden langs grote rivieren en in het zoetwatergetijdengebied. Het is veelal ontstaan door spontane bosopslag met wilgen rond oude kleiputten, maar ook op zandplaten, kribben en oevers kiemen van nature veel wilgen. De groeiende belangstelling voor spontane processen in het rivierengebied heeft gezorgd voor meer spontane bosopslag. Oudere  wilgenvloedbossen hebben soms een voorgeschiedenis als griend.

Overstroming
Wilgenvloedbossen ontwikkelen zich op groeiplaatsen waar periodiek sprake is van overstroming met rivierwater. Zeer plaatselijk is ook wel sprake van kwel, maar de ecologische betekenis hiervan valt vrijwel volledig weg door de grote invloed van overstromingen met voedsel- en basenrijk rivierwater en de basenrijke bodems. Merkwaardigerwijs vinden we in de wilgenvloedbossen van het zoetwatergetijdengebied wel verschillende plantensoorten die elders in het land als echte kwelindicatoren te boek staan.

Pionierfase
In de pionierfase is zachthoutooibos een struweel van met name schietwilg, katwilg en amandelwilg. Naarmate het bos ouder wordt delven de struikvormende wilgen het onderspit. In latere successiestadia treedt boomvormige schietwilg op de voorgrond.

Hardhoutooibos
Hardhoutooibos is buitendijks bos dat niet door wilgen of zwarte populier wordt gedomineerd en dat door een hogere ligging minder frequent overstroomt met rivierwater. Vergeleken met het zachthoutooibos is de bosstructuur complexer, met een goed ontwikkelde struiklaag en indrukwekkende sluiers van klimplanten. In oudere bossen zijn de belangrijkste boomsoorten van oudsher zomereik, gewone es en veldiep, maar vrijwel alle in ons land voorkomende boomsoorten kunnen wel in het hardhoutooibos worden aangetroffen.

Voorkomen
Hardhoutooibossen komen in Nederland eigenlijk nauwelijks voor. Slechts een beperkt aantal bosfragmenten in de uiterwaarden kan als hardhoutooibos betiteld worden en deze zijn of nog erg jong of weinig natuurlijk. De paar fragmenten hardhoutooibos die Nederland nog rijk is, liggen alle hoog in het landschap, met een gesommeerde overstromingsduur van maximaal 10 dagen/jaar.

Broekbos
In broekbossen is het grondwaterstand hoog, daalt weinig onder het bodemoppervlak, bevindt zich 's winters en in het voorjaar vaak boven het bodemoppervlak. De luchtvochtigheid is er hoog.

De broekbossen vertonen een grote variatie in soortensamenstelling. Dit hangt samen met de grote verscheidenheid aan groeiplaatsen waarop de Nederlandse broekbossen zich bevinden. Broekbossen zijn meestal spontaan ontstaan en vaak in het verleden in gebruik geweest als hakhout. Hoewel de kwaliteit en omvang van veel broekbossen sterk is teruggelopen, is de variatie en biodiversiteit nog altijd groot.

Voorkomen
Broekbossen zijn te vinden in beekdalen en kwelzones op zandgronden, in hoogvenen en in laagvenen. Alleen de broekbossen in beekdalen die worden gevoed door grondwater en/of regelmatig overstromen met beekwater, vallen onder het beheertype rivier- en beekbegeleidend bos. Meest kenmerkend voor de beekdalen zijn de elzenzegge-elzenbroekbossen, die onder invloed staan van toestromend basenhoudend grondwater. Broekbossen buiten de beekdalen vallen onder het beheertype N14.02, Hoog- en laagveenbos.

In het OBN onderzoek 'Kleine ecotopen in de hydrologische gradiĆ«nt' vindt u uitgebreide informatie over het ecotype 'berkenbroekbos'. Dit gaat over zowel de natuurwaarden van dit type, als de bedreigingen en herstelmaatregelen. 

Vogelkers-Essenbos
Vogelkers-essenbossen liggen in de beekdalen op wat hogere en minder natte plekken dan de broekbossen. Periodieke overstroming met beekwater en aanvoer van grondwater zorgen voor gebufferde en relatief voedselrijke standplaatsen. Onder deze condities kunnen zich zeer soorten- en structuurrijke bossen ontwikkelen, met in de boomlaag zomereik, es en zwarte els en in de struiklaag soorten als eenstijlige en tweestijlige meidoorn, Hazelaar en Vogelkers. In het voorjaar kan een uitbundige bloei voorkomen van bosanemoon en andere voorjaarsbloeiers als speenkruid,  slanke sleutelbloem, grote muur en gwtte klaverzuring. Goed ontwikkelde vormen van het vogelkers-essenbos zijn echter zeldzaam.

Lees meer in het rapport Herstel vogelkers-essenbos in het Lankheet

Bronbos
Op plekken waar grondwater permanent uittreedt kunnen zich bronbossen ontwikkelen. De boomlaag wordt meestal gedomineerd door es en zwarte els. Het bronmilieu wordt gekenmerkt door zeer stabiele gradiƫntsituaties, met op de natste plekken soorten als goudveil en bittere veldkers, en op iets hoger gelegen vochtige plekken soorten als gele dovenetel, slanke sleutelbloem en witte klaverzuring. Het bronmilieu zelf is van groot belang voor diverse macrofaunasoorten die zijn aangewezen op permanent uittredend schoon water van constante temperatuur. Omdat bronnen alleen voor kunnen komen aan de voet van hellingen zijn bronbossen gebonden aan het Heuvelland en de randen van stuwwallen.