Close Menu

N14.01 Rivier- en beekbegeleidende bossen

Veranderingen in de waterhuishouding
Overstroming en/of grondwateraanvoer zijn belangrijke sturende processen in de rivier- en beekbegeleidend bossen. Maar door dieper worden van de beek of afsluiting van rivieruiterwaarden met zomerkaden, blijft overstroming  met rivier- of beekwater vaak uit. Ook treedt verdroging op door drinkwaterwinning in de omgeving en/of ontwatering  ten behoeve van de landbouw. Dit leidt tot lagere grondwaterstanden en verminderde grondwateraanvoer. Waar nog wel overstroming en/of grondwateraanvoer plaatsvindt, is het aangevoerde water vaak te rijk aan voedingsstoffen.


Wegvallen overstroming en getijdenwerking
Overstroming met rivierwater en afzetting van zand en klei vormen belangrijke sturende factoren in de rivierbegeleidende ooibossen. In het zoetwatergetijdengebied overstromen de aanwezige zachthoutooibossen niet langer dagelijks, na afsluiting van het Haringvliet in 1970 en het wegvallen van de getijdenwerking. Er vindt versnelde mineralisatie plaats, waardoor er extreem veel voedingsstoffen vrijkomen. Hierdoor ontstaan brandnetelruigten. Door de Haringvliesluizen ‘op een kier te zetten’ tracht men de getijdendynamiek weer terug te krijgen in het zoetwatergetijdengebied.

Grondwaterstandsdaling
De meeste rivier- en beekbegeleidende bossen worden gekenmerkt door zeer natte omstandigheden met water aan of boven maaiveld in de winter en met grondwaterstanden die in de zomer niet ver weg zakken. Grondwaterstandsdaling kan leiden tot verruiging en het verdwijnen van kenmerkende soorten.

Wegvallen kwel
Goed ontwikkelde broekbossen en bronbossen zijn afhankelijk van aanvoer van schoon grondwater (kwel). Dat zorgt voor zeer stabiele milieus met een gelijkmatig grondwaterregime en buffering van de zuurgraad. De vaak hoge ijzergehalten van uittredend grondwater zorgen voor een zekere buffering tegen fosfaatbemesting. Wegvallen van kwel leidt tot verzuring, verarming en ophoping van strooisel aan het maaiveld. Lees meer in het rapport 'Herstel broekbossen'

Voedselrijk  oppervlaktewater
Veel beken en rivieren zijn vermest en voeren hierdoor fosfaat-, sulfaat- en stikstofrijk water en slib aan. Dit heeft met name bij beekbegeleidende bossen een grote invloed. De aanvoer van fosfaat  leidt hier tot verruiging van de ondergroei, met name op plekken die al (licht) zijn verdroogd. Lees meer hierover in het rapport 'Ontwikkeling broekbossen'. In zachthoutooibossen is oppervlaktewaterverontreiniging een minder groot  probleem. Het rivierwater is immers van nature al vrij voedselrijk.

Grondwaterverontreiniging
In de beekdalen vormt de aanvoer van verontreinigd grondwater een probleem. Door de hoge bemestingsdruk in het herkomstgebied is het grondwater vaak rijk aan nitraat en/of sulfaat. Dit zorgt voor afbraak van organisch materiaal in het kwelgebied en daarmee tot interne eutrofiering. Sulfide, dat gevormd wordt bij reductie van sulfaat, is in hogere concentraties giftig voor de karakteristieke zwarte elzen, kruidachtige planten en water- en bodemfauna.

Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden
Vooral op natte kwelplekken zijn er op voormalige landbouwgronden mogelijkheden voor de ontwikkeling van soortenrijke beekbegeleidende bossen. Hoe snel de bossen zich ontwikkelen is mede afhankelijk van de vraag of de voedselrijke toplaag wel of niet wordt verwijderd. Pas afgegraven natte grond vormt een goed kiemmilieu voor zaden van wilgen en elzen. Wanneer de voedselrijke bovengrond niet wordt afgegraven kan zich een ruigte ontwikkelen waarin elzen en andere boomsoorten geen kans krijgen zich te vestigen. Ook wanneer de boomlaag zich wel heeft ontwikkeld, blijft de ondergroei nog lang een ruig karakter houden met veel hoogopgaande voedselminnende soorten. Lees meer hierover in het rapport 'Ontwikkeling broekbossen'

Natte bossen als waterbuffer
Om wateroverlast in stroomafwaarts gelegen gebieden tegen te gaan, zijn in veel beekdalen waterbergingsgebieden aangelegd. Bij hoge waterafvoeren komen die onder water te staan. In de waterbergingsgebieden streven beheerders veelal naar de ontwikkeling van natte graslanden en moerasvegetaties. Vraag is of het laten ontstaan van broekbossen en moerasstruwelen in sommige gevallen niet een goed alternatief is. Vanwege de voedselrijkdom van het oppervlaktewater zullen de broekbossen in de overstromingsvlakten mogelijk altijd een relatief voedselrijk karakter houden. Dat hoeft niet per se een nadeel te zijn. Door de broekbossen en –struwelen in hakhoutbeheer te nemen, kan de hoge productiviteit worden benut voor de productie van biomassa, terwijl ze tevens een belangrijke functie kunnen vervullen voor de fauna. Bij bestaande broekbossen wordt overstroming met voedselrijk oppervlaktewater afgeraden omdat dit kan leiden tot verruiging van de vegetatie. Lees meer in het rapport 'Ontwikkeling broekbossen

Ruimte voor de rivier
Ooibossen kunnen de bij hoogwater de doorstroming door het winterbed afremmen en zo leiden tot ongewenste waterstandsverhoging. Om die reden worden door Rijkswaterstaat grenzen gesteld aan de oppervlakte aan bos en struweel in de uiterwaarden. Om de doorstroming te bevorderen worden bovendien hoog opgezande oeverwallen regelmatig weer afgegraven. Dit betekent dat er weinig ruime is voor het ontstaan van hardhoutooibossen, een habitattype dat in heel West-Europa uiterst zeldzaam is. Dit vraagt om aanwijzing van zones in het rivierengebied waar de aanwezigheid van bos ook op lange termijn toegestaan blijft. Zachthoutooibossen zijn wat minder gevoelig omdat ze zich snel ontwikkelen en kunnen profiteren van de natte laagtes die ontstaan door afgraving.
Lees meer in het rapport Herstel en ontwikkeling hardhoutooibossen.