Close Menu

N13.02 Wintergasten Weide

Locatiekeuze en inrichting
Uit onderzoek zijn er aanwijzingen dat opvanggebieden beter worden benut door de ganzen naarmate ze dichterbij slaapplaatsen liggen. Op tien kilometer afstand ligt de seizoensgemiddelde benutting bijvoorbeeld duidelijk lager dan op vijf kilometer, bij overigens gelijke omstandigheden. Bij voorkeur sluiten de foerageergebieden direct aan op slaapplaatsen op meren en plassen. Dit dient een belangrijk criterium te zijn bij de keuze van de percelen die als wintergastenweide worden beheerd.

In de locatiekeuze dient ook rust een belangrijk criterium te zijn en dienen ganzenopvangpercelen zoveel mogelijk op afstand van wegen, recreatiepunten en bebouwing te worden gekozen

Herstelbeheer: maaien, bemesten en waterbeheer
Om verruigd grasland geschikt te maken als wintergastenweide is extra maaien of beweiden nodig. Het verdient aanbeveling dat te combineren met aanpassing van de bemesting en eventueel het waterbeheer. Mest, en kalk, zorgen voor de juiste voedingstoestand en zuurgraad van de bodem, zodat de vegetatie voldoende eiwitrijk wordt om interessant te zijn voor herbivore vogels. Bemesting in de herfst (en voor Brand- en Rotganzen in het voorjaar) met matige hoeveelheden (50-150 kg N.ha-1) is optimaal. Bemesting kan ook behulpzaam zijn bij het terugdringen van probleemkruiden als pitrus, die bij dominantie tot een te hoge vegetatiestructuur voor herbivore vogels leidt. Vaste mest verdient daarbij de voorkeur omdat die tot minder uitspoeling van meststoffen leidt buiten het groeiseizoen. Een aandachtspunt is dat eventueel extra gemaaid of nabeweid moet worden om de vegetatie voldoende kort de winter in te laten gaan.

Bij de combinatie met weidevogelbeheer kwam al aan de orde dat er in het waterbeheer frictie kan optreden tussen het creƫren van laag productief kruidenrijk grasland en productie van een eiwitrijk gewas doormiddel van het beheertype wintergastenweide. Voor dit laatste is een zekere drooglegging gedurende de winter gewenst (ten minste ca 20 cm), voor het eerste is water in of op het maaiveld voor een deel van de oppervlakte gewenst. Inundatie leidt bovendien tot afspoeling en daarmee geringe benutting van de meststoffen die in de herfst zijn toegediend.

Voldoende grasaandeel
In natuurgebieden vindt onkruidbestrijding gewoonlijk niet plaats, net zo min als doorzaaien met een geschikt grasmengsel. Dit zijn desondanks mogelijkheden om, extensief grasland om te vormen voor het specifieke doel van ganzenopvang in natuurgebieden.  De grassoorten die ganzen graag lusten hebben zachte bladeren, zoals gewoon kweldergras,  rood zwenkgras, geknikte vossenstaart, fioringras, beemdgras, timoteegras en raaigras. De zoute soorten daarvan worden vooral door brand- en rotgans geconsumeerd, die op de kwelders ook nog enkele andere plantensoorten graag eten. Kolgans, brandgans en smient foerageren vrijwel volledig op grasland. Grauwe gans, rotgans en rietgans eten niet altijd op gras, maar toch wel meer dan tweederde van de tijd.