Close Menu

N13.02 Wintergasten Weide

Knelpunten in opvangbeleid
Grasetende vogels als ganzen en zwanen horen tot de weinige natuurwaarden die voordeel hebben van de intensivering van het graslandgebruik in de landbouw. Ze profiteren van het grote aanbod van eiwitrijk gras, waarop ze goed kunnen opvetten voor de trek naar hun broedgebieden. In combinatie met afname van de jacht (in Nederland, maar ook op andere plekken op de trekroute) heeft dit de afgelopen decennia geleid tot een forse toename van overwinterende ganzen en (knobbel)zwanen in Nederland. De laatste jaren zijn er aanwijzingen dat de aantallen van meerdere soorten beginnen te stabiliseren.  De oorzaak daarvan is niet duidelijk maar lijkt eerder bij beperkingen in de broedgebieden gezocht te moeten worden dan in de wintergebieden. Van bedreigingen in de wintergebieden lijkt daarom geen sprake. Er is echter wel sprake van knelpunten. De belangrijkste zijn:

  • het areaal ganzenopvanggebied is te klein om de huidige populaties een rustige winterplek te bieden,
  • Het opvangbeleid is versnipperd over de provincies. In afweging met schadebeperking in de landbouw leidt dat soms tot reductie van het areaal opvanggebieden of van de vermindering van de rustperiode,
  • Bescherming van wintergasten wordt soms uitgeruild tegen maatregelen tegen zomerganzen en leidt bijvoorbeeld tot verkorting van de rustperiode.

Opvang van ganzen in reservaten kan lokaal uitkomst bieden in discussies met de landbouw, maar kan geen soelaas bieden voor de totale opvangproblematiek. Daarvoor zijn de aantallen herbivore vogels te groot en zijn de eiwitrijke boerengraslanden te belangrijk.

Meer over effecten van beheermaatregelen op Grauwe ganzen en ontwikkeling van landbouw- en natuurschade in het Alterra-rapport 'Pilot onderzoek Grauwe ganzen op Texel'.

Te extensief beheer
Het natuurbeheer van grasland is doorgaans gericht op kruiden- en bloemrijke vegetaties. Daarvoor wordt een extensief beheer gevoerd met weinig of geen bemesting, hoge waterpeilen en laat maaien en/of weiden .Om aan de doelstelling van wintergastenweide te voldoen is het zaak in het beheer niet te extensief te werk te gaan. Aandachtspunten zijn:

  • het aandeel eiwitrijke grassen op peil houden en niet te veel kruidenbedekking,
  • de vegetatie moet kort de winter ingaan,
  • verruiging met soorten als riet, rietgras, pitrus tegengaan.

Of het beheer voldoet wordt afgemeten aan de vraag of het beheerdoel wordt gehaald. Dat betekent dat ten minste één van de doelsoorten ten minste gedurende één wintermaand in een kwalificerend aantal voorkomt (ten minste 1% van de Europese populatie op enig moment aanwezig) en dat kort gras op meer dan 90% van de oppervlakte aanwezig is

Kansen: combinatie met andere natuurdoelen
Weidevogels
De ruimtelijke overlap tussen overwinterende ganzen en broedende weidevogels is groot. In de tijd van het jaar echter is dat maar heel beperkt het geval. De Kolganzen zijn grotendeels verdwenen als de weidevogels arriveren om te gaan broeden. De Brandganzen en de Rotganzen zijn echter lokaal nog in hoge aantallen aanwezig als de weidevogels arriveren. De vrees bestaat dat de toenemende ganzenaantallen nadelig zijn voor weidevogels. Onderzoek heeft geen direct verband  kunnen aantonen. Ganzen en weidevogels hebben beide een voorkeur voor landschappelijke openheid en rust, maar waar ganzen baat hebben bij een lage waterstand is voor weidevogels een hoge waterstand geschikter.

Er is echter wel een indirect nadelig effect. Zo is het effect van ganzenbegrazing in het weidevogelreservaat Wormer- en Jisperveld dat boeren niet langer bereid zijn het grasland te pachten omdat de ganzen alle gras wegvreten. Als het land niet meer wordt gebruikt, leidt dat tot verruiging en dat is nadelig voor de weidevogels.
Lees meer in het Alterra-rapport Brandganzen en Kleine Mantelmeeuwen in het Wormer- en Jisperveld.

Engelse onderzoekers concluderen dat weidevogels en ganzen prima samen kunnen gaan, en dat het waterbeheer de sleutelfactor is om de resultaten te optimaliseren. Een laag peil in de winter om een beetje gewasproductie op gang te houden voor de ganzen en een opgezet peil in het vroege voorjaar ten bate van de weidevogels zijn dan gunstig. Ook is onvoldoende onderzocht wat het effect is van vertraagd legbegin van weidevogels als gevolg van een zeer korte vegetatiestructuur tot ver in het voorjaar. Het is denkbaar dat dit tot verlaging van de nest- en kuikenoverleving leidt. Aan de andere kant kan vertraagde grasgroei juist in de kuikenperiode (mei, juni) tot een geschikte open vegetatiestructuur leiden. Als er gekozen  kan worden, is het aan te raden specifiek ganzenbeheer nabij een ganzenslaapplaats uit te voeren en specifiek weidevogelbeheer verder weg daarvan.

Meer over effecten van overwinterende ganzen op weidevogels: Evaluatie Opvangbeleid 2005-2008overwinterende ganzen en smienten.

Botanisch grasland
Botanische graslanden worden vaak verschraald. Dat proces is strijdig met een natuurdoel in termen van hoge aantallen ganzen. Maar ganzen kúnnen en zullen er gaan eten zolang het aandeel grassen nog aanzienlijk is. Het grazen van de ganzen zelf zal leiden tot een netto afvoer van nutriënten en daardoor geen afbreuk doen aan het botanische doel. Als het land schraler wordt zal de benutting door ganzen minder worden.