Close Menu

N13.01 Vochtig Weidevogelgrasland

Nesten en kuikens uitgemaaid
Op het gewone boerenland wordt steeds vroeger én massaler gemaaid. Waar het gros van de graslanden dertig jaar geleden vaak eind mei of nog later werd gemaaid, is dat nu vanaf half april. Weidevogels hebben dan onvoldoende  kans om genoeg jongen groot te brengen. Het maaien gebeurt niet alleen vroeger in het seizoen, maar vindt ook sneller en op grotere schaal plaats. De werkbreedte en snelheid van de machines is sterk toegenomen –vroeger 1m nu tot 14 meter; vroeger 5km/u nu tot 15 km/u – waardoor weidevogelkuikens nauwelijks kunnen ontsnappen. Waar ze voorheen in greppels konden wegkruipen, is dat in gedraineerde graslanden zonder greppels niet meer mogelijk.

Onvoldoende kuikenland van goede kwaliteit
Weidevogelkuikens hebben open, kruidenrijke en insectenrijke vegetaties nodig om te foerageren. Het moderne boerengrasland bestaat uit een monocultuur van Engels raaigras waarin verhoudingsgewijs weinig voedsel in de vorm van insecten te vinden is. Het hoogproductieve gras is vaak zo dicht dat de kuikens er nauwelijks doorheen kunnen lopen. Foerageren in deze graslanden loont dan ook niet alleen minder, maar kost ook veel meer energie. Al met al is de overlevingskans van weidevogelkuikens in dergelijke graslanden veel lager dan in goed kuikenland. Bovendien kunnen de bontgespikkelde weidevogelkuikens zich in de grasgroene vegetatie minder goed verbergen voor roofdieren. Gruttokuikens hebben in open, kruidenrijke vegetatie 2,5 keer zo  veel kans om te overleven als in monocultuurgrasland. Grasland met een dominantie van soorten als witbol, grote vossenstaart en pitrus hebben ook trekken van een monocultuur. Dergelijke percelen functioneren als kuikenland matig tot slecht.

Voor kieviten, tureluurs en scholeksters is afname van beweiding een bedreiging, want beweid grasland is belangrijk als kuikenland. Er is een kortgegraasde vegetatie, met daarin specifieke insectenfauna en bodemfauna. Kievitkuikens hebben in beweid land een vijf keer lagere kans om gepredeerd te worden.

Lage waterpeilen
Oppervlakkige uitdroging door lage slootpeilen zorgt voor een harde bodem waar weidevogels met hun snavel niet goed in kunnen prikken. Ook voor de overleving van kuikens zijn vochtige omstandigheden in het maaiveld van belang, omdat de larven van prooi-insecten daarvan afhankelijk zijn. Een ander aspect is dat op drogere bodems de gewasontwikkeling sneller op gang komt, terwijl voor weidevogels een wat tragere grasgroei gewenst is, enerzijds voor de structuur tijdens de nestelfase en anderzijds om te voorkomen dat er een ‘muur’ van gras staat in de kuikenfase. Het vroeger op gang komen van de grasgroei wordt nog versterkt door klimaatverandering.

Verdichting van het landschap
Verdichting van het landschap, het verdwijnen van het open karakter van een gebied, kan plaatsvinden door bijvoorbeeld aanleg van erf- of laanbeplanting en groenstroken, bebouwing of verruiging van oevers en overhoeken. Landschappelijke openheid is een van de belangrijkste kenmerken van goede weidevogelgebieden. De meeste weidevogels mijden al te besloten gebieden, waarschijnlijk ook omdat de predatiedruk in deze gebieden hoger is.

Predatie
Grote veranderingen in het landschap in de afgelopen decennia waren gunstig voor veel predatoren: verlies aan openheid, toename van landschappelijke beplanting, grootscheepse ontwatering. Tegelijkertijd is de belasting van het milieu met giftige stoffen afgenomen, waardoor populaties van predatoren zich hebben kunnen herstellen. Ook is er minder vervolging van predatoren dan in het verleden.

Door het veranderde landgebruik concentreren weidevogels zich meer en meer in broedclusters in resterende goede gebieden en raakt de omgeving op het intensieve boerenland van weidevogels ontvolkt. Deze concentratie en isolatie maakt de weidevogels steeds kwetsbaarder doordat predatoren die concentraties goed weten te vinden en de kans op herbevolking bij een calamiteit (bijvoorbeeld een jaar met veel predatie) kleiner wordt.

Predatie heeft een sterke invloed op de aanwas van de weidevogels en kan (lokaal) zorgen voor een sterke teruggang van de weidevogelstand. Een veelgehoorde misvatting is dat alle verdwenen weidevogels ook daadwerkelijk in de maag van hun belagers belanden. Minstens zo belangrijk is dat weidevogels gebieden mijden waar veel predatoren zijn en zich elders vestigen, of niet tot broeden komen. 

Verzuring
Verzuring van de bodem heeft effect op regenwormen. Deze vormen het voornaamste voedsel voor steltlopers als grutto en kievit. De wormen leven in de bovenste bodemlaag en verdwijnen bij een zuurgraad beneden 4,8. In verzuurde bodems kunnen weidevogels dan ook nauwelijks voedsel vinden. Dit speelt weidevogels vooral parten in natuurgebieden, waar vaak niet of weinig wordt bemest en geen regelmatige bekalking plaatsvindt. Op kalkarme zand- en veengronden verzuurt de bodem gemakkelijk. Dit gaat nog sneller wanneer in het winterhalfjaar regenwater op het maaiveld blijft staan.

Verstoring
Weidevogels zijn gevoelig voor verstoring in de buurt van het nest, bijvoorbeeld doordat er mensen of loslopende honden langslopen. Ze kunnen het nest verlaten, maar ook in het volgende jaar een andere broedplaats kiezen. Belangrijke verstoringsbronnen zijn wegen, fietspaden en bebouwing. Vlakbij dergelijke objecten broeden aanmerkelijk minder weidevogels dan op enige afstand. De verstoringsafstand kan oplopen tot honderden meters bij gevoelige soorten als grutto en veldleeuwerik.