Close Menu

N12.05 Kruiden- en faunarijke akker

Locatie nieuwe akkers
Bij de inrichting van nieuwe akkers ten behoeve van de akkerflora dient met de volgende punten rekening gehouden te worden.

  • De kansrijkdom voor akkerplanten is het grootst als de akker in een oud cultuurlandschap ligt. Op plaatsen die van oudsher akker zijn geweest is de kans het grootst dat een zaadvoorraad in de bodem aanwezig is. Zoekgebieden voor nieuwe akkers kunnen  dan ook het best gelokaliseerd worden in gebieden waar van oudsher een rijke akkerflora voorkwam, zowel op zandgronden als op de andere bodemtypen.
  • Het (micro-)klimaat op de nieuwe akker is van belang. Doordat veel van onze akkerplanten afkomstig zijn uit warmere streken, is het van belang dat de akker warm genoeg is. Natte gebieden met een zware bodem komen niet in aanmerking en noordhellingen zijn minder geschikt. Vooral zuid- en westhellingen bieden goede kansen. Om dezelfde reden zijn akkers midden in het bosminder geschikt. Kleine percelen van 0,5-1 ha. verdienen de voorkeur, omdat hier in verhouding veel rand aanwezig is, waarvan de doelsoorten profiteren.
  • De kansen voor dit beheertype zijn het grootst op akkers die in het landbouwkundige verleden het minst zijn bemest. Dergelijke akkers bieden de beste kans op aanwezigheid van doelsoorten akkeronkruiden en minder kans op dominantie van probleemonkruiden als akkerdistel, kweek, kleefkruid, akkerwinde en wikkes.

Geografische ligging
De grootste winst voor de doelsoorten van dit beheertype valt te behalen in het kleinschalige cultuurlandschap van de zandgronden, het rivierengebied en in Limburg, omdat daar de meeste typische en (ernstig) bedreigde akkersoorten voorkwamen (of nog voorkomen). Veel faunadoelsoorten vragen een mozaïek van habitattypen op landschapsschaal. In deze regio's liggen daarvoor de beste kansen. Het herstel van faunarijke akkers kan in een kleinschalig landschap gekoppeld worden aan het herstellen van de akkerflora. Kleinschalig flora- en faunavriendelijk beheer van akkertjes in de duinen, op de Veluwe, in het rivierengebied en in Drenthe kan bijvoorbeeld een positieve bijdrage leveren aan het behoud van bedreigde soorten als veldleeuwerik, knoflookpad en overwinterende akkervogels. Heidefauna kan profiteren van de aanleg van kleinschalige akkers op heideterreinen. De Hamster neemt een middenpositie in, omdat herstel van de hamsterpopulatie vooral mogelijk is op de relatief open lössplateaus van Zuid-Limburg. Kleine landschapselementen, zoals graften en kleine bosjes, kunnen een bijdrage leveren aan het herstel van de populatie, maar vormen tegelijkertijd een bedreiging, omdat zulke elementen ook predatoren aantrekken.

Voor sommige flora- en faunasoorten biedt dit beheertype ook in de noordelijke en westelijke open zeekleigebieden en inpolderingen kansen, bijvoorbeeld voor de typische akkeronkruiden van kalkhoudende zavelgrond, samen met patrijzen, veldleeuweriken en grauwe kiekendieven in de noordelijke zeekleigebieden, al of niet in de vorm van duo- of trioranden volgens het ‘Groningse model’. In de grootschalige akkerbouwgebieden zijn maatregelen alleen effectief als de maatregelen op voldoende schaal worden ingevoerd, eventueel gecombineerd met soortspecifieke maatregelen, zoals het beschermen van nesten van grauwe kiekendieven en kwartelkoningen.

Voldoende grote schaal
Het creëren van kleine geïsoleerde faunavriendelijke akkers in grootschalige open landschappen is zinloos en leidt tot ecologische valkuilen. De doelsoorten en hun predatoren worden dan aangetrokken tot de kleine stukjes geschikt habitat in een verder ongeschikt landschap. De maatregelen moeten liefst regionaal worden ingevoerd en over een voldoende groot oppervlak. Enkele (buitenlandse) onderzoeken wijzen erop dat minimaal 5% à 10% van het oppervlak aan akkers faunavriendelijk beheerd zou moeten worden om een positief effect te hebben op de fauna. Door het toepassen van braakliggende akkers is zo’n percentage zeker haalbaar in grootschalige akkergebieden, maar brede akkerranden kunnen eveneens een belangrijke bijdrage leveren.
De effectiviteit van akkerbeheer kan verder worden verhoogd door maatregelen te concentreren in kerngebieden en te zorgen voor een landschappelijke samenhang tussen de akkers met maatregelen. De aanwezigheid van een netwerk van braakliggende akkers, akkerranden en overige landschapselementen is zeer aantrekkelijk voor veel faunasoorten. Op korte afstand is dan zowel foerageergebied, broedgebied als overwinteringshabitat te vinden.

Verschralen
In de eerste jaren na inrichting dient het beheer gericht te zijn op de afvoer van overmatige voedingsstoffen en met name fosfaat. Bemesting en herbicidegebruik dienen geheel stopgezet te worden en het gewas kan dicht geteeld worden, zodat veel voedsel aan de bodem onttrokken wordt. Een zomergraan, of zelfs mais, is hiervoor het meest geschikt. Een lichte mestgift met N en K kan zorgdragen voor onttrekking van P aan het systeem. Na verloop van tijd kan het gewas minder dicht geteeld worden. In het rapport Ecologie en beheer van kruidenrijke akkers op de zandgronden is gedetailleerde informatie te vinden over verschralingsstrategieën voor verschillende uitgangssituaties. Een vergelijkbaar rapport is beschikbaar voor akkers op de zware en basische grondsoorten.

Bemesting
Bij herstelbeheer is bemesting alleen gewenst om het fosforgehalte in de bodem te verlagen. Ongeveer vijf à tien jaar na het begin van het herstelbeheer vestigingen meer eisende soorten zich. Het is echter de vraag of onder huidige omstandigheden met vaak hoge nutriëntenvoorraden in de bodem en structureel een hogere stikstofdepositie dan vroeger, bij eindbeheer nog bemesting nodig is. Een aantal van de huidige, rijkste akkeronkruidenreservaten zijn al jaren onbemest. Bij Natuurmonumenten wordt slechts 10 % van de kruiden en faunarijke akkers bemest, en dan vooral om de pH op orde te houden.

Grondbewerking
Voortschrijdend inzicht heeft twijfel doen rijzen of kerende grondbewerking (ploegen) voor het herstel van karakteristieke akkeronkruiden wel de juiste strategie is. Ploegen heeft vooral ten doel het organische stofgehalte en de mineralisatie te vergroten en onkruid te bestrijden ten behoeve van productie. Bij natuurbeheer is dat natuurlijk niet aan de orde (los van een periode van herstelbeheer). Er is reden om voor eindbeheer over te schakelen op niet-kerende grondbewerking (eggen, cultiveren), omdat daardoor het onkruidzaad minder diep wordt ingewerkt. Hier lijken vooral soorten met kort levend zaad (zoals veel typische akkeronkruiden) baat bij te hebben. Eichhorn & Ketelaar (2011) geven verschillende mogelijkheden om probleemonkruiden (bijvoorbeeld kweek) bij niet-kerende grondbewerking in toom te houden.

Als wel geploegd wordt, moet niet dieper dan ca 20 cm geploegd worden. Dan worden onkruidzaden niet te diep ondergewerkt.

Zaad
Om inzicht te krijgen in het potentieel van een akker voor spontaan herstel van akkerflora kan een strook van 10 bij 20 meter op een hoek van een perceel onthoofd worden tot de gemiddelde ploegdiepte, waarna de grond verwerkt kan worden over de rest van de akker (hiervoor is geen ontgrondingsvergunning nodig): vaak geven soorten die indicatief zijn voor de onkruidassociatie op zo’n plek respons (voorzover nog in een zaadbank  aanwezig). Een andere optie is de eerste 1 à 2 jaar nadat een perceel uit productie is genomen, na te gaan welke onkruiden zich spontaan ontwikkelen (kijk vooral in de perceelsrand en op de kopakkers, de locaties waar de bemesting en grondbewerking het minst intensief waren). In de praktijk is gebleken dat actieve introductie nodig is om karakteristieke onkruidgemeenschapen te herstellen. De beste werkwijze is het gebruik van ongeschoond zaaizaad van kruidenrijke akkers, die bodemkundig de meeste overeenkomst vertonen en in dezelfde regio liggen. Dit sluit het beste aan bij de regiospecifieke vegetatiesamenstelling. Om ruimte te scheppen voor de onkruiden is het wenselijk een niet te grote zaaidichtheid van het ongeschoonde zaad te hanteren. In de praktijk wordt een hoeveelheid van 50-100 kg zaaizaad per ha aangehouden.

Braaklegging
Het meerjarig braakleggen van akkers (zonder de akkers in te zaaien met een bloemenmengsel) is een uitstekende beheermaatregel voor akkerfauna. Door het braak leggen krijgen allerlei akkersoorten een enorme impuls (veldmuis, veldleeuwerik, kleine parelmoervlinder), mits allerlei verstorende werkzaamheden (ploegen, maaien) jarenlang niet of nauwelijks worden uitgevoerd of tot een minimum worden beperkt. Er moet wel een jaarlijkse (niet kerende) grondbewerking plaatsvinden. Gedurende enkele jaren is op braakliggende akkers veel voedsel en dekking aanwezig voor akkervogels, maar ook kleine zoogdieren en vlinders profiteren van de open kale grond. Voor de akkerflora is braak zelden een gunstige maatregel. Groene braak geeft de meer groeizame (probleem)onkruiden vrij baan en kan zelfs in één jaar leiden tot een sterke achteruitgang van typische soorten met kort levend zaad. Het is wellicht alleen te overwegen op al sterk verschraalde akkers om een extra zaadvoorraad op te bouwen van bepaalde doelsoorten. Zwarte braak kan nuttig zijn als herstelmaatregel wanneer wortelonkruiden als kweek, akkerdistel of ridderzuring met de reguliere grondbewerking onvoldoende teruggedrongen kunnen worden. Door bijvoorbeeld in een droge periode meerdere keren te eggen kunnen deze wortelonkruiden worden uitgeput door de wortels steeds boven de grond te trekken.

Probleemonkruiden
Als nutriëntenrijke akkers bij de huidige N depositie worden verschraald bestaat het risico dat  een beperkt aantal, veelal wortelonkruiden (kweek, akkerdistel, akkerwinde, kleefkruid, gladde witbol, maar ook eenjarigen als melganzevoet, hanepoot en wikkes) de flora gaan domineren. Er zijn de volgende mogelijkheden om deze dominantie te doorbreken:

  • Zwarte braak.
  • Uitmijnen, het versneld terugdringen van de nutriëntenvoorraad in de bodem (vooral de hoeveelheid fosfaat). Het kan door de eerste jaren dat een akker uit het landbouwkundig gebruik is genomen, een snelgroeiend gewas te telen dat veel fosfaat opneemt, zonder bemesting. Mogelijke gewassen zijn zomergraan, voederbieten en grasklaver (zie ook de casus hieronder). Het uitmijningsproces kan worden gevolgd door bemonstering van de bodem. Een streefwaarde kan zijn een Pw-getal <21 (in bouwland wordt de fosfaattoestand uitgedrukt aks Pw-getal, mg P2O5/l grond. Dit is een fosfaattoestand beneden de landbouwkundige streeftoestand voor productie.