Close Menu

N12.01 Bloemdijken

Geschikte dijken
Op nagenoeg iedere dijk kunnen via een goed beheer soortenrijke bloemdijkvegetaties tot ontwikkeling komen. Echter, hoe meer de omstandigheden van het betreffende dijkvak afwijkt van de ideale situatie, hoe meer moeite het kost om via het beheer tot goede resultaten te komen. Het beheer op een flauw, schaduwrijk talud, georiënteerd op het noorden op een kleidijk, zal intensief moeten zijn en een lange tijd consequent moeten worden uitgevoerd om tot het gewenste eindbeeld te komen. Het kan dan gaan om periodes van tien jaar of langer. Bij huidig niveau stikstofdepositie lijkt een gangbaar beheer van één maal per jaar maaien en afvoeren niet voldoende om de verruiging tegen te gaan, zelfs niet onder ideale omstandigheden.

Intensiveren beweiding
Extensieve beweiding leidt tot een gevarieerde mozaïekvegetatie. Beweiding leidt echter niet tot verschraling aangezien er niet of nauwelijks voedingsstoffen worden afgevoerd. Extensief beweide dijkhellingen zullen dan ook na verloop van tijd verruigen. De beweidingsdruk opvoeren is een methode om dominantie van een aantal ruigtesoorten terug te dringen. Dit dient echter slechts tijdelijk te gebeuren aangezien ook alle gewenste plantensoorten sterk worden teruggedrongen. Een tijdelijke, hoge beweidingsdruk, waarna de beweidingsdruk weer tot normaal niveau wordt teruggebracht, is een goede manier om soortenrijke vegetaties in stand te houden. Wanneer dergelijke maatregelen genomen moeten worden, hoe groot de beweidingsdruk moet zijn en hoe lang deze moet worden aangehouden, kan niet in algemene zin worden aangegeven. Dit zal van geval tot geval bekeken moeten worden en is onder meer afhankelijk van de abiotische omstandigheden en het beheer in de afgelopen periode.

Intensivering maaibeheer
Ook bloemdijken die al jaren als bloemdijk worden beheerd en jaarlijks worden gemaaid, zijn vaak in meerdere of mindere mate verruigd. Intensivering van het maaibeheer is dan ook noodzakelijk. Hoe eerder in het seizoen wordt gemaaid, des te groter de hoeveelheid biomassa is die kan worden afgevoerd. Verruigde dijken kunnen dan ook een opknapbeurt krijgen door ze al (veel) vroeger in het jaar te maaien. Afhankelijk van de temperatuur en neerslag in het voorjaar en daardoor de groeisnelheid van met name de grassen, kan daarbij gedacht worden aan een eerste maaibeurt eind april, mei of begin juni. Dit vroege maaitijdsstip onderdrukt dominante grassoorten. Na deze maaibeurt zal de vegetatie een hergroei te zien geven die desgewenst in de nazomer nog een keer kan worden gemaaid en afgevoerd. Door dus twee maal per groeiseizoen te maaien kan de verruiging worden terug gedrongen. Vooral op de wat zwaardere gronden zal dit intensievere maaibeheer wellicht een aantal jaren achtereen moeten worden volgehouden. Meest waarschijnlijk nog zal het een cyclus moeten zijn van bijvoorbeeld vijf jaar achtereen één maal maaien in de nazomer, gevolgd door een jaar waarin twee maal wordt gemaaid.

Opties voor intensivering maaibeheer:

  • Één maal jaarlijks maaien maar maaitijdstip vervroegen. In plaats van september of later in het jaar, maaien in juli of augustus. Vooral inzetbaar op dijken met een lichte verruiging en op zandige bodem.
  • Maaien in combinatie met direct afzuigen van de vegetatie. Er zijn goede resultaten geboekt met deze methode, dit is echter ongunstig voor ongewervelden en moet dus altijd gezien worden als een tijdelijke maatregel.
  • Overgaan op twee maal per jaar maaien. Eerste maaitijdstip zodra vegetatie kniehoog is, eind april, mei of begin juni. Moment van maaien is afhankelijk van temperatuur en neerslag in het voorjaar. Rekening houden met beschermde soorten en werken volgens protocollen Wet Natuurbescherming. Tweede maaitijdstip vanaf half augustus tot eind september.

Vervolgbeheer: maaien in combinatie met nabeweiding
Zodra de verruiging door een meer intensief maaibeheer is teruggedrongen kan de structuur van de vegetatie worden versterkt door begrazing toe te passen. Schapen grazen de vegetatie kort, runderen wat langer en ruiger. Plaatselijk intensieve beweiding leidt tot open getrapte taluds. Deze zijn van belang voor kieming van annuellen als ruige anjer, fijne ooievaarsbek en grote leeuwenklauw. Maaibeheer in combinatie combineert van beide beheersvormen het beste. Verschraling door maaien en afvoeren, versterken structuur en openheid vegetatie door begrazing.

Afvoeren maaisel en bagger
Beheertype 12.01 moet gezien worden als een schraal grasland. Maaisel of bagger uit naastliggende sloot of watergang dient dan ook altijd afgevoerd te worden. Daarover moeten afspraken gemaakt worden met aanpalende grondeigenaren en de uitvoerende instantie (meestal een waterschap).

Lees meer over herstelbeheer in het artikel 'Klepelen en opzuigen succesvol bij dijkbeheer'.

Over paddenstoelen op bloemdijken, pagina 217 – 220, (2013)

Ontwikkeling van vegetaties op bloemdijken. Bij intensivering beheer gaan de ontwikkelingen naar rechts; bij te extensief of wegvallen beheer naar links. Bron: dijkenactieplan Zeeland.

Theoretisch overzicht van de ideale dijk: een combinatie van open en schraal tot gesloten en voedselrijk.