Close Menu

N11.01 Droog schraalland

Kalkgrasland
Kalkgraslanden komen voor op plaatsen met kalkgesteente in de ondiepe ondergrond, en zijn in Nederland beperkt tot Zuid-Limburg. Door hun schrale karakter en kalkrijke droge ondergrond bieden de kalkgraslandhellingen vestigingsmogelijkheden aan tal van planten van open, onbeschaduwde groeiplaatsen. Ook de soortenrijkdom aan insecten en andere ongewervelden is ongekend hoog in de kalkgraslanden. Aan de orchideeƫnrijkdom kent de Europese handleiding voor de habitatrichtlijn bijzondere waarde toe; dit maakt kalkgrasland een prioritair habitattype.

Bodem
De kalkgraslandvegetatie wortelt in een bodem die door verwering van het onderliggende kalkgesteente is ontstaan. Deze bodem heeft een hoge pH (pH = 7-8), een hoog kalkgehalte (in de A-horizont 10-35 % CaCO3) en een groot vermogen voedingsstoffen te binden. Door de eeuwenlange traditionele begrazing zonder  of met een geringe extra bemesting zijn kalkgraslanden voedselarm geworden. Omdat kalkgraslanden op hellingen in het heuvelland liggen, bevinden ze zich minimaal enkele meters tot vele tientallen meters boven het grondwaterniveau; de bodem is sterk waterdoorlatend. Het ondiep liggend kalksteen, de droge bodem en een enigszins open vegetatiestructuur zorgen voor een warmer en droger microklimaat dan in graslanden van andere varianten.

Habitattype
Binnen Natura 2000 valt deze variant onder het habitattype H6210 Kalkgraslanden 

Zinkweide
Zinkweides komen in Nederland in zeer klein oppervlak voor, alleen langs de Geul, vlakbij de grens met BelgiĆ«.  Het betrfet secundaire groeiplaatsen, die zijn ontstaan bij mijnen. Natuurlijke groeiplaatsen komen met name voor in gebergten waar metaalhoudende gesteenten aan het oppervlak komen. De Nederlandse begroeiingen van zinkplanten zijn Europees bezien nauwelijks van betekenis. Daar staat echter tegenover dat sommige van de kenmerkende soorten, waaronder het zinkviooltje, een dermate klein verspreidingsgebied hebben en een dusdanig gering aantal groeiplaatsen, dat elk verlies een aderlating betekent.

Habitattype
Binnen Natura 2000 valt deze variant onder het habitattype H6130 Zinkweiden 

Heischraal grasland
Droge heischrale graslanden of borstelgraslanden zijn vegetaties op voedselarme, meestal zwak zure, vaak wat lemige zandbodems. Grassen bepalen het aspect van de begroeiing, maar kruiden en heidestruiken kunnen eveneens talrijk zijn. In Europa zijn ze wijdverspreid en komen over grote oppervlakten voor in gebergten. In het laagland zijn ze zeldzamer; in Nederland komt naar verhouding een betrekkelijk grote oppervlakte ervan voor.

Bodem
Kenmerkend voor de heischrale graslanden is dat de pH van de bodem waarop zij voorkomen zich bevindt tussen pH 4,5-6 en er een zuurbuffering plaatsvindt door kationuitwisseling. Goed ontwikkelde heischrale graslanden hebben een lage aluminium/calcium-verhouding in de bodem.
De droge heischrale graslanden liggen in inzijgingsgebieden en zijn voor hun buffering vooral afhankelijk van leemhoudend of minder verweerd bodemmateriaal. Ze zijn in Nederland vrijwel volledig antropogeen ontstaan.

Habitattype
Binnen Natura 2000 valt deze variant onder het habitattype H6230 Heischrale graslanden 

Stroomdalgrasland
De stroomdalgraslanden zijn te vinden op de van nature hogere terreingedeelten van de riviersystemen, zoals oeverwallen, stroomruggen, rivierduinen en op oude terrasranden. De Nederlandse stroomdalgraslanden zijn soortenrijke, relatief open, grazige begroeiingen op droge of matig droge, voedselarme, zandige of zavelige en veelal kalkhoudende groeiplaatsen langs de rivieren. De bodem bestaat meestal uit zand.

Vorming
Vanouds werden de stroomdalgraslanden een of twee keer per jaar kortstondig overstroomd, met uitzondering van de graslanden op hoge locaties, zoals hoge rivierduinen of de kruin van de winterdijk. De overstroming voorkomt sterke verzuring, bovendien wordt een groot deel van het strooisel afgevoerd met het water. Soms is een incidentele aanrijking met basenrijk rivierwater via de wortelzone al voldoende om stroomdalgrasland optimaal te houden. De belangrijkste sturende processen bij ontstaan en behoud van stroomdalgraslanden in een natuurlijke situatie zijn begrazing, rivierdynamiek (overstroming, zandafzetting, erosie), winddynamiek (nodig voor rivierduinvorming) en ijsgang.

Habitattype
Binnen Natura 2000 valt deze variant onder het habitattype H6210 Stroomdalgraslanden