Close Menu

N11.01 Droog schraalland

Begrazen is effectief
Begrazen zorgt voor afvoer van biomassa en nutriënten, vermindert strooiselophoping en gaat vervilting tegen.
Geïntensiveerde beweiding met mergellandschapen blijkt een goede optie om in kalkgraslanden, op een wat langere termijn van vijf tot tien jaar, de dominantie van gevinde kortsteel terug te dringen en de diversiteit weer te doen toenemen. Geïntensiveerde begrazing heeft echter ook ongewenste negatieve effecten op diersoorten in kalkgraslanden en moet niet integraal worden toegepast wanneer er relictpopulaties van karakteristieke soorten aanwezig zijn die niet verloren mogen gaan.
In kalkgraslanden blijkt begrazen van de vegetatie in de zomer (begin augustus) in plaats van in de herfst de effectiefste manier om verruiging in drie tot vier jaar terug te dringen en kenmerkende kalkgraslandsoorten te doen toenemen. Om daarbij de fauna te behouden is het aan te bevelen bij een dergelijk herstelregime gefaseerd uit te voeren en jaarlijks wisselende delen van de vegetatie niet te begrazen. Wanneer schaapskuddes overdag grazen en aan het einde van de middag verplaatst worden naar een stal of parkeerweide vindt er een veel grotere afvoer van nutriënten plaats dan wanneer de kuddes op het terrein blijven staan
In zinkweides kan het opvoeren van de begrazingsdruk vervilting tegengaan. Vervilting komt zinkflora niet ten goede en staat in het bijzonder de hervestiging van soorten op plekken waar ze zijn verdwenen in de weg.

Maaien
Maaien en afvoeren zorgt voor afvoer biomassa en nutriënten, vermindert strooiselophoping en gaat vervilting tegen.
In kalkgraslanden blijkt maaien van de vegetatie in de zomer (begin augustus) in plaats van in de herfst de effectiefste manier om het aandeel van gevinde kortsteel binnen drie tot vier jaar terug te dringen en veel kenmerkende kalkgraslandsoorten te doen toenemen. Om daarbij de fauna te behouden is het aan te bevelen bij een dergelijk herstelregime jaarlijks wisselende delen van de vegetatie niet te maaien.
In kalkgraslanden die verrijkt zijn met stikstof, fosfor en kalium is maaien in de zomer met afvoer van het hooi een goede methode om de oorspronkelijke, kruidenrijke te herstellen, mits er nog zaadbronnen in de vorm van restpopulaties en in de bodem aanwezig zijn, en er niet te hoge fosfaatniveaus aanwezig zijn. Het terugkeren van kalkgraslandvegetatie kan tot wel twintig jaar duren. Opvallend is dat het herstelproces duidelijk langzamer en minder effectief verloopt na een periode van mestgiften met veel fosfaat.
In voormalige landbouwgronden die pas recent uit productie zijn genomen zijn de fosfaat-waarden vele malen hoger geworden en zijn veelal geen zaadbronnen meer aanwezig. In deze terreinen lijkt maaien en afvoeren of begrazen niet effectief.
In zinkweides is handmatig maaien een alternatieve herstelmethode van vervilting, in combinatie met het afvoeren van het maaisel. Machinaal maaien is niet mogelijk omdat de bulten van de gele weidemier dan schade oplopen, terwijl die cruciaal zijn voor het behoud van de zinkflora. 
Stroomdalgraslanden die achteruit zijn gegaan door een gebrek aan beheer hebben vaak nog wel het vermogen zich enigszins te herstellen door het in maaibeheer nemen of over te gaan tot extensieve beweiding. De kans op herstel is groter naarmate er meer soorten van het stroomdalgrasland aanwezig zijn en naarmate er minder stapeling van organisch materiaal en verzuring heeft plaatsgevonden.

Plaggen en afgraven
Voor het herstellen van zinkweides kan afplaggen van de fosfaatverrijkte bodemlaag helpen pionierssituaties te creëren die zinkflora een kans geven. Dat kan worden bewerkstelligd door af te plaggen totdat de bodemcondities op die plek voldoen aan de randvoorwaarden voor groei van de zinkflora. Alleen plaatselijk oppervlakkig omwoelen van de bodem of verwijderen van de verviltingslaag is daarvoor onvoldoende.
Voor door vermesting aangetaste droge heischrale graslanden blijkt kleinschalig plaggen een effectieve herstelmaatregel. Belangrijk is altijd bij het plaggen restpopulaties van doelsoorten te sparen. Het is ook essentieel om enige jaren na het herstelbeheer weer instandhoudingsbeheer te gaan uitvoeren. Het uitblijven van maaien of begrazen kan ertoe leiden dat het positieve effect van herstel alsnog teniet wordt gedaan.

Opslag verwijderen
Om verbost kalkgrasland te herstellen is verwijdering van struweel of boomopslag noodzakelijk. Begrazing in de zomer (juli-augustus) gaat opslag van houtige soorten op kalkgraslanden beter tegen dan begrazing in de herfst. Aanvullend verwijderen van opslag is als reguliere maatregel vaak noodzakelijk om kalkgraslanden open te houden.

Toevoegen bufferstoffen
Ter bestrijding van verzuring is het aan te bevelen verzuurde heischrale graslanden na het plaggen te bekalken met 2000 kg/ha (dolokal), bij voorkeur snel na plaggen. Na het plaggen kan namelijk ammoniumophoping ontstaan, wat de terugkeer van bedreigde soorten van heischrale graslanden in de weg staat. Deze ammoniumophoping treedt direct na het plaggen op, duurt veelal anderhalf tot twee jaar en is vastgesteld in zowel droge als in natte heischrale graslanden en heiden, vooral onder zure omstandigheden. 
Voor fauna lijkt deze kalkgift echter ongewenste neveneffecten te kunnen hebben, in ieder geval in heide. Zie OBN -rapport Fosfaattoevoeging Heide

Herintroductie soorten
Een knelpunt in herstelbeheer is de terugkeer van soorten. Dat heeft verschillende oorzaken: de korte levensduur van de zaadvoorraad in de bodem, het geringe verspreidingsvermogen van de bedreigde plantensoorten, en de geïsoleerde positie van de natuurterreinen in het Nederlandse landschap. In zulke situaties is herintroductie van plantensoorten een optie via uitzaaien van vitale zaden uit grote populaties op plekken waar is geplagd en de bodemchemie reeds voldoende hersteld is. Dit gaat ook op de ontwikkeling van droog heischraal grasland en kalkgrasland na adequate ontgronding. Een andere optie is het uitleggen van vers maaisel uit een soortenrijk ‘donorgebied'. Wanneer dit ook als doel heeft om diersoorten te herintroduceren moet het maaisel zo snel mogelijk na maaien en zonder het samen te persen worden overgebracht naar het doelgebied. Echter ook voor het overbrengen van plantensoorten is het gebruik van vers maaisel en directe toediening na maaien een vereiste. Dit heeft op voormalige landbouwgrond geleid tot sterk versnelde ontwikkeling richting doelvegetatie (kalkgrasland , zie daarvoor bijvoorbeeld OBN monitoring Bemelerberg en droog heischraalgrasland). Recent is ook gebleken dat voor de ontwikkeling van droog heischraal grasland op voormalige landbouwgrond het enten met bodem samen met additiie van vers maaisel nauwelijks tot betere ontwikkeling leidt in vergelijking met alleen additie van vers maaisel (eventueel verrijkt met vitale zaden van zeldzame soorten).

De vestiging van stroomdalplanten in stroomdalgrasland wordt sterk bevorderd indien zand wordt bijgemengd uit een stroomdalgrasland met een zaadbank, want dan kunnen soorten uit die zaadbank ontkiemen.
Een andere optie herstel van grazige lijnvormige elementen (bermen en taluds) als verbindingszones. Zie ook het OBN-rapport 

Toestaan rivierdynamiek
Voor herstel en duurzame handhaving van soortenrijke stroomdalgraslanden is de rivierdynamiek onmisbaar. Overstroming met rivierwater en zand- of slibafzetting zorgt dan voor de nodige periodieke ‘oplading' van de bodem met basen en voedselarm zand en creëert daarnaast ook open plekken met mineraal zand waar zaadjes kunnen kiemen.