Close Menu

N11.01 Droog schraalland

Stoppen van gebruik of beheer
Tot voor kort waren vrijwel alle droge schraallanden in Nederland zogenoemde half-natuurlijke vegetaties, die door beweiding of hooien lange tijd in stand kunnen worden gehouden. Recentelijk zijn in het rivierengebied beperkte arealen stroomdalgrasland toegevoegd, onder andere door de terugkeer van minerale bodems in inrichtingsprojecten en doordat actieve oeverwallen uit agrarisch beheer zijn gehaald. Bij verwaarlozing of stoppen van dit gebruik of beheer gaan hoge grassen domineren, raakt de vegetatie vervilt door ophoping van strooisel en uiteindelijk vaak begroeid met struweel of bos. Afname van karakteristieke soorten vindt soms al binnen enkele jaren plaats en binnen een termijn van enkele decennia (twintig tot vijftig jaar in het geval van kalkgraslanden) is het beheertype droog schraalland volledig verdwenen.

Te intensief gebruik of beheer
Droge schraallanden zijn afhankelijk van beheer, maar zeer intensief gebruik of beheer kan tot verstoring van het systeem leiden. Bij intensieve begrazing of integrale maaibeurten tijdens het groeiseizoen verdwijnen karakteristieke vegetatiestructuren en het bloemaanbod (al dan niet tijdelijk) en kan er schade of sterfte optreden aan karakteristieke planten- en diersoorten (onder andere veldparelmoervlinder) op kalkgraslanden: Zie rapport Knelpunten voor loopkevers, wantsen en sprinkhanen in hellingshraallanden en eindrapportage Uitbreiding en herstel van Zuid-Limburgse hellingschraallanden

Met name in de fase van herstelbeheer of maatregelen om de invloed van hoge stikstofdepositie te mitigeren (zoals in de PAS) wordt vaak gepoogd extra nutriënten af te voeren en worden de eisen die de karakteristieke planten- en diersoorten stellen soms uit het oog verloren. Relictpopulaties kunnen zo ‘in het zicht van de haven’ alsnog verdwijnen.

Verzuring door atmosferische depositie
Bodemverzuring is een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de droge schraallanden, met name stabiele, zwakgebufferde heischrale graslanden en stroomdalvegetaties (vooral langs de IJssel) die niet meer periodiek overstroomd worden door gebufferd water of sediment. De zeer goed gebufferde kalkgraslanden en de door rivierdynamiek beïnvloedde stroomdalgraslanden (vooral langs de Waal) hebben niet of nauwelijks last van verzuring. Voor zinkweiden kan lichte verzuring zelfs positief uitpakken omdat dit de beschikbaarheid van zink verhoogt.

Oorzaak van verzuring is atmosferische depositie van eerst zwavel- en later vooral stikstofverbindingen. Hoewel zwaveldepositie sterk is afgenomen, is de erfenis van de verzuring door zwavel vaak nog wel in de bodem aanwezig. Door de aanvoer van zure verbindingen verschuift het bufferingsmechanisme, wat de beschikbaarheid van voor de plant belangrijke voedingsstoffen als calcium, magnesium en kalium verlaagt. De concentraties van metalen, vooral aluminium, in het bodemvocht stijgen juist; voor veel plantensoorten van heischrale graslanden zijn deze ionen toxisch. Ook daalt de mineralisatie- en nitrificatiesnelheid in verzuurde bodem; dit leidt tot zowel een sterkere accumulatie van strooisel als een verandering in de minerale stikstofvorm. Wanneer karakteristieke plantensoorten voornamelijk voorkomen op locaties met bioturbatie (waar vers bodemmateriaal omhoog wordt gewerkt  door bijvoorbeeld mollen of mieren),  is dat een duidelijke aanwijzing voor verzuringsproblematiek.

Vermesting door atmosferische stikstofdepositie
Droge schraallanden zijn door hun zwakke tot redelijk goede buffering gevoelig voor vermesting door atmosferische stikstofdepositie, zeker wanneer deze depositie ligt boven een drempelwaarde (kritische depositiewaarde) van 12.2 (heischraal grasland), 14,7 (zinkweiden), 17,5 (stroomdalgraslanden)  of 21,1 (kalkgraslanden) kg/ha/jaar. Verhoogde stikstof leidt tot vergrassing en daarmee tot een drastische vermindering van soortdiversiteit. In kalkgraslanden gaat gevinde kortsteel overheersen, wat alle stikstof in het systeem vasthoudt. In heischrale graslanden leidt stikstofdepositie meestal tot sterke overheersing van bochtige smele of gewoon struisgras.

Versnippering en afname areaal
Door ontginning en intensivering van agrarisch gebruik het overgrote deel van dit beheertype in de afgelopen eeuw verdwenen. Andere belangrijke oorzaken van habitatvernietiging van stroomdalgraslanden zijn zand- en grindwinning (vooral langs de Maas) en aanleg van infrastructurele werken zoals wegen, oeverwerken en verzwaarde dijken. Het kleine areaal droog schraalland dat resteert, ligt ruimtelijk sterk versnipperd in kleine oppervlaktes in het landschap. De kleine deelpopulaties van karakteristieke planten- en diersoorten op deze ‘eilandjes’ zijn door hun geringe omvang veel gevoeliger voor plotselinge veranderingen (bijvoorbeeld door weersomstandigheden of beheeringrepen) dan grote populaties en de kans dat karakteristieke soorten de geïsoleerd liggende terreinen (her)koloniseren is klein.

Voor alle soorten van droge schraallanden is afname van geschikt areaal ieen bedreiging en voor de meeste soorten ook versnippering. Dier- en plantensoorten van stroomdalgraslanden zijn het minst gevoelig voor versnippering, aangezien deze soorten zich langs rivieren – in ieder geval stroomafwaarts – redelijk makkelijk verspreiden. Echter, ook hier is de beperkte omvang van de groeiplaatsen van stroomdalgrasland een punt van zorg. Vrijwel alle restanten liggen tegenwoordig in relatief kleine natuurreservaten. Hierdoor zijn de mogelijkheden voor uitwisseling van genen tussen populaties beperkt en is de concurrentie met algemene plantensoorten die in nog grotere hoeveelheden door de rivier worden aangevoerd groot. Recent OBN-onderzoek heeft aangetoond dat de versnippering in ieder geval voor veel karakteristieke vlinders, mieren, sprinkhanen en loopkevers van kalkgraslanden een groot probleem vormt (Rapport Uitbreiding en herstel van Zuid-Limburgse hellingschraallanden).

Vergraving door infrawerken en zandwinning
Zeker langs de Limburgse Maas zijn veel stroomdalgraslandvegetaties verdwenen door weggraven bij de grote oeverwerken van de jaren zestig en zeventig. Het ging hierbij veelal om unieke, soortenrijke vormen op oude terrasranden, met soorten als grote tijm, lathyruswikke en tripmadam. Ook recentelijk zijn nog oude terrasranden en stroomrugsituaties met waardevol stroomdalgrasland weggegraven, zoals bij zandwinningen rond Lomm en geulaanleg rond Brakel. De gebrekkige bescherming van veel zeldzame stroomdalflora in de Natuurbeschermingswet maakt het eenvoudiger om het behoud van deze vegetaties bij vergravingsprojecten en dijkaanleg te omzeilen.

Inspoelen meststoffen uit landbouw in kalkgraslanden
Kalkgraslanden in natuurreservaten kunnen worden bedreigd door vermesting vanuit aangrenzende bemeste landbouwgronden. Hiervan is geen sprake wanneer er een bosrand of struweel aanwezig is tussen de landbouwgronden op het hooggelegen plateau en het kalkgrasland die de mest invangt. Onderzoek uit de Eifel toont aan dat directe nutriëntenverrijking uit bovengelegen akkers of grasland leidt tot een sterke degradatie qua soortensamenstelling in een randzone van zeker 5 tot 10 meter. In deze zone komen nu vooral soorten uit voedselrijkere graslanden voor en veel minder kenmerkende kalkgraslandsoorten.

Gebrek aan overstroming stroomdalgraslanden
In de uiterwaarden is vooral de vastlegging van de rivier een probleem, waardoor er geen nieuwe oeverwallen en rivierduinen kunnen worden gevormd. In veel rivierduinen en rivierdalranden die door de aanleg van dijken werden afgesneden van de rivier heeft het achterwege blijven van overstroming bovendien geleid tot sterke verzuring. De kortstondige overstromingen, een of twee keer per jaar, zijn essentieel voor het tegengaan van verzuring en strooiselophoping, maar blijven tegenwoordig jarenlang uit of treden helemaal niet meer op.

Afname areaal zinkweiden
Sinds het beëindigen van de zinkwinning in 1950 is de zinkconcentratie in zinkweides tegenwoordig beduidend lager, wat leidt tot achteruitgang van de zinkflora. Ook het gebruik van kunstmest draagt bij aan ‘alkalinisering': een verhoging van de pH van de bodem, waardoor de zinkbeschikbaarheid afbneemt. Zowel het dalende zinkgehalte als de verhoogde fosfaatbeschikbaarheid door de bemesting bevordert de uitbreiding van de grassen, vooral gewoon struisgras en gestreepte witbol  en achteruitgang van de zinkflora.

Momenteel komt de zinkflora in Nederland [link: http://dt.natuurkennis.nl/uploads/OBN146_HE_Onderzoek_naar_herstel_en_(her)ontwikkeling_van_zinkvegetaties.pdf] vrijwel alleen nog voor op een enkel weilandje op de bovenrand van een buitenbocht van de Geul. Een ernstige bedreiging voor de achteruitgang van de zinkfora in dit reservaat is de afkalving van de oever. Deze afkalving treedt op door het kronkelen of ‘meanderen' van de Geul in combinatie met het uittreden van kwelwater vanuit de hoger gelegen omgeving. De laatste zinkweide van Nederland dreigt binnen afzienbare tijd te verdwijnen, tenzij er maatregelen worden genomen die de afkalving tegengaan.

Mogelijkerwijs speelt ook de aanplant van populieren in het terrein een rol bij de achteruitgang van de zinkflora. Hierdoor neemt de beschaduwing van de zinkweide toe en dat is ongunstig voor de zinkflora die lichtminnend is. Een bijkomend negatief effect is dat populieren wellicht bijdragen aan vermesting van het gebied. De populieren hebben wellicht ook een positief effect op de overleving van kiemlingen na plaggen; de beschaduwing maakt dat de bodem minder sterk verdroogt.

Daarnaast vormt het afgraven van mierennesten van de gele weidemier een bedreiging in het gebied. Op deze nesten komt de zinkflora uitbundig voor, waarschijnlijk omdat de mieren zinkrijke bodem aan de oppervlakte brengen en zaden ingraven. De nesten worden afgegraven voor de winning van de miereneieren en poppen, waarschijnlijk om als voer voor huisdieren te dienen.

Kans: Voormalige mergelgroeves
In voormalige mergelgroeves is soms ruimte om nieuw kalkgraslanden te creëren bovenop het voedselrijke afdekmateriaal, waardoor beheerkosten lager worden en een hogere biodiversiteit tot stand komt. Hier is nog weinig ervaring mee, het is nog in een experimenteel stadium, zoals 6 hectare in ENCI-groeve (Rapport Beheer en inrichting van mergelgroeves en rotsen)

Kans: Omvormen landbouwgebieden
Het omvormen van landbouwgebieden tot kalkgraslanden zal ook helpen sterk versnipperde populaties dier- en plantensoorten te verbinden en te laten uitbreiden. Hierbij zijn drastische inrichtingsmaatregelen noodzakelijk om de ‘fosfaaterfenis’ te verwijderen en de bodem weer tot leven te brengen. Hoger gelegen aangrenzend land aankopen en als natuurgebied beheren voorkomt directe toevoer van nutriënten uit akkers en daarmee verruiging. Zie het rapport Uitbreiding en herstel van Zuid-Limburgse hellingschraallanden.

Kans: Stroomdalgrasland door natuurlijke rivierprocessen
Natuurlijke rivierprocessen krijgen in Nederland steeds meer ruimte, vooral door natuurontwikkelingsprojecten waarbij agrarische graslanden worden teruggegeven aan de natuur. Stroomdalgrasland kan zich opmerkelijk snel herstellen na herinrichting. Op verschillende plaatsen zijn al pioniervormen van het stroomdalgrasland ontstaan, en lokaal volwaardige stroomdalgraslandvegetaties. Veel typische soorten breiden zich in de laatste jaren sterk uit. Studie door de Flora- en Faunawerkgroep Gelderse Poort naar de ruimtelijke dynamiek van stroomdalplanten in de Gelderse Poort toont het belang aan van dynamiek, aanwezigheid van zaadbronnen en vestigingsplekken (schaal) voor herkolonisatie. Zie artikel in de Levende Natuur over ruimtelijke dynamiek van stroomdalplanten in de Gelderse Poort.

Kans: Uitgekiende inrichting en afwerking
In het rivierengebied liggen goede kansen voor uitbreiding van stroomdalvegetaties in inrichtings- en hoogwaterprojecten. Cruciaal is dat hierbij relatief hooggelegen, droge uitgangssituaties van zand of grind worden gerealiseerd. Juist deze schrale, kalkrijke uitgangssituaties maken een snelle vestiging van (zeldzame) stroomdalsoorten mogelijk. Langs de Rijntakken en de Benedenmaas betekent dit veelal een zandige afwerking en het behoud van droge stroomruggen en hoge oeverwalsituatie, gekoppeld aan het verwijderen van bouwvoor. Langs de Grensmaas betekent dit extra aandacht voor het realiseren van hoge grindmilieus en een schrale afwerking van dekgrondbergingen, in onder andere het Grensmaasproject en bij hoogwatergeulprojecten. Langs de Noord-Limburgse Terrassenmaas moet men extra zorgvuldige omgaan met schrale terrasranden in zowel inrichtingsprojecten als bij aanstaande dijkaanleg.