Close Menu

N10.01 Nat schraalland

Herstel waterhuishouding
In beekdal- en duingebieden zijn de beste maatregelen vaak het dempen van lokale ontwatering en het verondiepen van beken/duinrellen die in het verleden zijn uitgediept. Het dempen van sloten werkt vaak beter dan verondiepen of opstuwen.

Daarnaast zijn vaak maatregelen nodig in de omgeving van natuurreservaten, zoals aanpak van diepe ontwatering. Ook kan aanvullend het verminderen en stoppen van grondwateronttrekking bijdragen aan hydrologisch herstel. Daarbij is het ook zinvol om te kijken naar de waterhuishouding in het intrekgebied.

De maatregelen zijn gericht op herstel van een hoge grondwaterstand en ook vaak op herstel van kwel van grondwater want voor basenrijke vormen van nat schraalland is herstel van basesrijke kwel. Dit vergt meestal ook maatregelen in de omgeving van natuurterreinen. Voorkomen moet worden dat maatregelen leiden tot langdurig diepe inundatie van nat schraalland. Maatregelen in de waterhuishouding dienen op landschapsschaal te worden afgewogen in samenhang met andere beheertypen in het terrein.

In het laagveengebied liggen natte schraallanden, door de inklinking van het veen in de dieper ontwaterde omgeving, vaak als hoger gelegen ‘eilanden’ in de veenpolders. Daardoor treedt in de reservaten een sterke inzijging van regenwater op, die leidt tot afname van buffering en verzuring. Verder hebben de resterende natuurgebieden een sterk gereguleerd oppervlaktepeil, waardoor geen overstroming meer optreedt.

Verzuring kan worden tegengegaan door de aanvoer van basenrijk oppervlaktewater naar de wortelzone. Dit is mogelijk met zeer ondiepe greppels en met bevloeiing. Bij aanvoer van oppervlaktewater met greppels werkt de invloed van basenrijk water meestal niet verder dan een paar decimeter of hooguit een paar meter vanuit de greppelkant. Met bevloeiing kan een grotere oppervlakte worden beïnvloed.

Externe eutrofiëring stoppen of verminderen
Het risico op eutrofiëring door vermest grondwater kan worden verminderd door de bemesting in het intrekgebied te verminderen of te stoppen. Deze maatregel kan worden afgewogen in samenhang met herstel van de waterhuishouding. In geval van eutrofiering door afstroming van oppervlaktewater in hellend terrein kan ofwel de bemesting in het brongebied worden gestopt of met lokale maatregelen afstroming naar het nat schraalland worden voorkomen. Vermindering van aanvoer van nutriënten via het oppervlaktewater vergt maatregelen op het niveau van het stroomgebied. Vermindering van atmosferische zuur- en stikstofdepositie vergt een aanscherping van beleid ten aanzien van emissies.

Wel of geen overstroming
In veel gevallen is overstroming met oppervlaktewater geen optie voor natte schraallanden omdat dit te nutriëntenrijk is. In geval van kleine stroomgebieden zonder landbouw en lozingen op het oppervlaktewater kan overstroming wel een optie zijn, mits de daar gelegen voormalige landbouwgronden niet veel fosfaat naleveren. Dit kan mogelijkheden bieden om overtollig water over maaiveld af te voeren en interessante gradiënten van terrestrische naar aquatische milieus te ontwikkelen.

Actief bevloeien
Actief bevloeien met basenrijk oppervlaktewater kan een middel zijn om de basenrijkdom te verhogen. De effectiviteit daarvan voor herstel van nat schraalland hangt daarbij af van de chemie van het bevloeiingswater en de bodem. Toepassing hiervan vergt daarom vooronderzoek aan de chemie en een goede inpassing in de totale waterhuishouding. Een randvoorwaarde is verder dat het bevloeiingswater een laag gehalte heeft aan nutriënten.

Maaien en niet maaien
In Nederland hebben veel natte schraallanden maaibeheer nodig voor de instandhouding van een korte, open vegetatie en afvoer van nutriënten. Maaien en afvoer van maaisel in de nazomer is dan het beste. Maaimaterieel en methoden wordt aangepast aan de draagkracht van de bodem. Natte schraallanden hebben vaak een kwetsbare bodem en vergen daarom speciaal materieel. Ten behoeve van fauna en zaadzetting van plantensoorten is het jaarlijks uitsparen van stroken die niet gemaaid worden wenselijk. Hiervan profiteren bijvoorbeeld vlindersoorten als argusvlinder en zilveren maan Voor kleine zeggenvegetaties op veen kan overwogen worden om niet te maaien. Zulke terreinen worden tegenwoordig vaak met rupsmaaiers gemaaid. Zulk maaibeheer houdt de vorming van microtopografie van bultjes en slenken tegen en dat is nadelig voor een rijke biodiversiteit van de vegetatie en faunagemeenschap. In situaties waarin de waterhuishouding op orde is, kunnen kleine zeggenmoerassen zich langdurig handhaven zonder maaibeheer. Additioneel kan met handmatig beheer opslag van bomen en struiken beperkt worden. Herstel van de microtopografie vergt ca. 20 jaar vanaf het stoppen van maaibeheer. Periodiek maaien werkt niet voor herstel van microtopografie omdat deze dan toch regelmatig geëgaliseerd wordt. Met niet maaien wordt momenteel geëxperimenteerd in het Drentse Aa gebied.
Lees meer over maaibeheer in het OBN-rapport 'Effecten van maaibeheer op kleine zeggenmoerassen in beekdalen'.

Houtopslag verwijderen als aanvullende maatregel
Bosopslag verwijderen is een aanvullende maatregel om te voorkomen dat nat schraalland dichtgroeit. Dit vermindert de aanvoer van voedingsstoffen via bladval en de verdroging via verdamping. Overigens is een geringe oppervlakte wilgenstruweel wel waardevol voor de fauna, als nectarbron in het voorjaar en broedgelegenheid. Een kleine oppervlakte struweel handhaven door rotatiebeheer toe te passen is dus aan te raden wanneer de oppervlakte dit toelaat.

Alléén plaggen werkt vaak niet
Plaggen is alleen zinvol nadat de waterhuishouding voldoende hersteld is. Wanneer dat het geval is, zorgt plaggen voor verlaging van de nutriëntenrijkdom, voor een hogere bodem-pH en voor een pioniersituatie waarin kenmerkende plantensoorten van nat schraalland zich kunnen vestigen. Ook is de kans dan veel groter dat het herstel duurzaam is en goed ontwikkeld nat schraalland aanwezig blijft als de pionierfase voorbij is. Plaggen is het meest succesvol in terreinen waar in de nabijheid nog populaties van gewenste soorten voorkomen en ook in geval zaden verspreid kunnen worden via lokale stroming van oppervlaktewater. Plaggen is succesvol gebleken voor herstel van kleine zeggenvegetatie, blauwgrasland en kalkmoerassen. Het plaggen van geëutrofieerde veengronden kan ook positief werken. Plaggen vooraf aan herstel van de waterhuishouding, zorgt ervoor dat geen of hooguit kortdurend herstel van nat schraalland optreedt. In zandgebieden met een te geringe kwelflux kan na plaggen ook weer herverzuring optreden door opbouw van organische stof. Bij plaggen van een relatief natte bodems, zonder voldoende herstel van de grondwaterstand aan maaiveld, kan leiden tot sterke verzuring door oxidatie van sulfiden en gereduceerde ijzermineralen in de dagzomende bodemhorizont. Plaggen zonder voldoende herstel van de waterhuishouding heeft ook als risico dat de zaadbank van doelplantensoorten wordt ‘verspeeld’.

Vergroten oppervlakte en herstel
Omdat de meeste natte schraallanden klein zijn en versnipperd over het landschap liggen, is voor een duurzaam herstel vergroting van natuurreservaten nodig. Het effect van deze maatregelen is erg afhankelijk van de omvang waar uitbreiding plaatsvindt en van de ruimtelijke patroon van nat-schraalland terreinen. Een vergroting van natuurterreinen verminderd ook de kans op externe, negatieve effecten.

Natte schraallanden kunnen hersteld en ontwikkeld worden op voormalige landbouwgronden die als natuur worden ingericht. De meest effectieve herstelmaatregel is daarbij het afgraven van de nutriëntenrijke toplaag. Deze maatregel dient op landschapsschaal te worden afgewogen, zodat afgraven op de juiste locatie plaatsvindt en niet leidt tot ongewenste negatieve effecten op grondwaterafhankelijke natuur in de omgeving. De interactie van maaiveldverlaging door afgraven en (herstel van) de waterhuishouding is daarom essentieel. Belangrijke criteria voor het toepassen van deze maatregel zijn:

  • het fosfaatprofiel is ondiep;
  • het terrein waarin de maatregel wordt gepland ligt ineen grotere natuureenheid;
  • herstel van de waterhuishouding is mogelijk;
  • bronpopulaties van doelsoorten komen dichtbij voor;
  • geschikt beheer is mogelijk.

De Handreiking voor omvorming van landbouwgronden naar schrale natuur kan gebruikt worden voor uitwerking van deze maatregel.

Op geëutrofieerde veengronden kan afgraven van de toplaag ook helpen om schrale condities te creëren en kleine zeggen begroeiingen te ontwikkelen. Belangrijke voorwaarde is dat gelijktijdig de waterhuishouding wordt hersteld en de effecten van maaiveldverlaging op de omgeving ook worden afgewogen.

Aanleg greppels voor meer kwel: niet doen!
Een wijdverbreid misverstand is dat in verzuurde situaties waar voorheen kwel van basenrijk grondwater optrad, aanleg van greppels zorgt afvoer van zuur regenwater en daardoor voor herstel van de basenrijke kwel. Helaas wordt de invloed van basenrijk grondwater niet bevorderd en zorgen greppels er juist voor dat nat schraalland nog meer last krijgt van inzijging van basenarm regenwater en daardoor nog verder verzuurt. Dit is zeker het geval in situaties waar de grondwaterstand lager zit dan de gemiddelde maaiveldhoogte. Veelal zijn maatregelen in de waterhuishouding van de omgeving nodig die de stijghoogte van het grondwater verhogen en daarmee de kwelflux in het nat schraalland verhogen.

 

Fuguur: Generieke neerslaglens patronen, met (A) en zonder (B) oppervlakkige afstroming.

Aanleg van slenken, beken en waterlopen: pas op!
Een groot risico van de aanleg of aanpassen van afwateringselementen als beken en duinrellen is dat deze te diep worden aangelegd en daardoor voor grondwaterafhankelijke natuurdoelen een te sterk drainerend effect hebben. Iets soortgelijks geldt voor de aanleg van slenken voor afwatering. Deze ingrepen kunnen dan leiden tot te lage grondwaterstanden en een te geringe kwelflux in nat schraalland. Sommige terreinen kunnen zelfs gebaat zijn bij de afwezigheid van zulke afwatering. Aanpassingen in de afwatering dienen daarom integraal worden afgewogen. Daarbij kan het juist ook interessant zijn om de afwatering over maaiveld te laten verlopen. Dit biedt kans voor geleidelijke overgangen tussen aquatische en terrestrische milieus en kan zorgen voor een betere, meer gedempte afvoerdynamiek van het oppervlaktewater.

Herintroductie van soorten
Veel kenmerkende plantensoorten zijn zeldzaam geworden en hebben daardoor een geringe kans om terug te keren door verspreiding vanuit populaties elders. Ook is voor veel doelsoorten de kans door kieming uit de zaadbank gering. Herintroductie van soorten kan daarom worden overwogen mits de abiotische condities duurzaam zijn hersteld. Herintroductie kan werken wanneer plantensoorten worden ingebracht op een geplagd stuk. Handhaving van veel soorten is alleen mogelijk wanneer de vegetatie laagproductief blijft. Met herintroductie van fauna is geringe ervaring in nat schraalland, er lopen enkele experimenten.