Close Menu

N10.01 Nat schraalland

Verdwenen door landbouwkundige ontwikkeling
Het beheertype Nat schraalland is sinds het midden van de negentiende eeuw met naar schatting 99% afgenomen, nadat boeren dankzij kunstmest en ontwatering ook de nattere graslanden intensief konden gebruiken. Momenteel komt dit beheertype vooral voor in natuurreservaten en heeft het een sterk versnipperd voorkomen met kleine oppervlakten. Daar zijn momenteel verdroging, verzuring en vermesting de belangrijke bedreigingen. Daarnaast zorgt ook versnippering voor sterke beperking in de overleving en de verspreiding van kenmerkende soorten.

Verdroging en verzuring
Natte schraallanden zijn op de eerste plaats afhankelijk van een hoge grondwaterstand. Voor kleine zeggenbegroeiingen op veen is daarbij ook een stabiele waterstand aan maaiveld belangrijk. Veel schraallandlocaties worden tevens gevoed met matig tot sterk basenhoudend water door toestroming van grond- of oppervlaktewater. Verdroging door ontwatering en grondwateronttrekking leidt tot het verdwijnen van de karakteristieke plant- en diersoorten. In hellende gebieden (stuwwallen en heuvelland) kan ook insnijding van waterlopen leiden tot verdroging. Deze insnijding wordt veroorzaakt door hogere piekafvoeren als gevolg van het landgebruik in het bovenstrooms gelegen gebied en/of door verdieping van de waterloop benedenstrooms. Verdroging leidt ook vaak voor eutrofiering en daarmee een hoge productiviteit van de kruidlaag. In veengronden leidt verdroging ook tot afbraak van veen en verlaging van het maaiveld. In veenweidegebieden kan dat juist weer zorgen voor langdurige inundatie in natte perioden, terwijl in de zomer de waterstand ver onder maaiveld zakt. Door verdroging vermindert ook de toevoer van stoffen die de zuurgraad bufferen, hetzij door het stoppen van overstroming met basenrijk oppervlaktewater, hetzij door het verminderen of zelfs wegvallen van toestroming van basenrijk grondwater naar de wortelzone. Verdroging leidt daarom op den duur vaak tot verzuring van natte schraallanden en daarmee tot achteruitgang van basenminnende plantensoorten.

Verzuring kan pas in een later stadium zichtbaar zijn, omdat basen in de bodem de standplaatsen nog tientallen jaren bufferen voordat de zuurgraad ver is gedaald. De verzuring wordt nog steeds versterkt door een verzurende atmosferische depositie.

Eutrofiëring
Natte schraallanden zijn door een geringe nutriëntenrijkdom laagproductief. Eutrofiëring is daarom nadelig voor veel kenmerkende en zeldzame plant- en diersoorten die afhankelijk zijn van een open, lichtrijke vegetatiestructuur. Er zijn uiteenlopende oorzaken van eutrofiëring:

  • verdroging van de veelal sterk organische bodems zorgt voor een sterke toename van de stikstofmineralisatie en dit leidt tot eutrofiëring. De afbraak van veen door verdroging leidt daarnaast tot verhoogde fosfaatconcentraties in de bodemtoplaag. Dit is een effect van indikking: de organische stof verdwijnt en het fosfaat blijft achter;
  • in het verleden zijn veel percelen waar nu natte schraallanden worden nagestreefd verrijkt met nutriënten door bemesting. Daarbij vormt een sterk verhoogde voorraad en beschikbaarheid aan fosfaat in de bodemtoplaag een belangrijk knelpunt;
  • op locaties met kwel vormt vermesting van grondwater een bedreiging. Deze vermesting wordt veelal veroorzaakt door bemesting in het intrekgebied, waarbij nitraat uitspoelt naar het grondwater. In intrekgebied met bos zorgt sterke invang van atmosferische stikstofdepositie ook voor toevoer van nitraat naar het grondwater. Negatieve effecten van vermest grondwater op natte schraallanden bestaan uit een verhoogde toevoer van stikstof en/of sulfaat, een verhoogde beschikbaarheid van fosfaat (door indirecte effecten) en een versterkte afbraak in de organische bodems. De exacte effecten op nat schraalland hangen sterk af van de chemische processen in de ondergrond en bodem. In landbouwgebieden blijft de uitspoeling van nitraat naar het grondwater hoog onder het huidige mestbeleid. Op termijn kunnen grondwatersystemen met een lange verblijftijd ook vermest grondwater aanvoeren in kwelgebieden;
  • op locaties die beïnvloed worden door oppervlaktewater kan ook eutrofiëring optreden. Allereerst door aanvoer van veel nutriënten. Op overstroomde locaties is daarbij ook de aanvoer van nutriënten door sedimentatie van slib kwantitatief belangrijk. Naast directe aanvoer van nutriënten kan ook een hoog sulfaatgehalte zorgen voor interne eutrofiëring. Waterberging in natuurgebied kan vanwege deze eutrofiërende effecten een bedreiging vormen, omdat veelal overtollig water uit landbouwgebied betreft. In hellende terreinen kan oppervlakkige afstroming over maaiveld bij veel neerslag zorgen voor aanvoer van nutriënten vanuit agrarisch gebied naar laaggelegen natte schraallanden;
  • natte schraallanden zijn gevoelig voor atmosferische stikstofdepositie. Een hoge stikstofdepositie leidt dan tot eutrofiëring;
  • in gebieden is door verdroging en/of vermesting in het verleden de bodemchemie irreversibel veranderd. De vernatting die nodig is voor herstel van de vereiste grondwaterstand kan dan leiden tot interne eutrofiëring door het vrijkomen van fosfaat. In verdroogde, ijzerrijke venen is tevens het ijzer- en fosfaatgehalte in de toplaag sterk verhoogd. Bij vernatting zorgt dit voor een goede fosfaatbeschikbaarheid en een hoge afbraak van organische stof onder natte, zuurstofloze omstandigheden. Dit kan tevens herstel van veenvorming belemmeren.

Versnippering
In veel gebieden resteren kleine oppervlakten met nat schraalland. Populaties van plant- en diersoorten die afhankelijk zijn van dit beheertype lopen daardoor een hoog risico op verdwijnen. Dit risico is ook hoog als in een terrein geen variatie in beheer is (bijvoorbeeld overal maaien) en weinig overgangen in natuurtypen en vegetatiestructuur voorkomen. Door de geïsoleerde ligging van natte schraallanden is bovendien de kans op (her)vestiging van zulke soorten gering. Veel soorten zijn vaak in de regio al zeldzaam en effectieve mechanismen voor transport zijn (nagenoeg) afwezig.

Grootschalig of monotoon beheer
Overal hetzelfde beheer kan een bedreiging zijn voor de overleving van populaties van dier- en plantsoorten. Overal tegelijk maaien is daarbij een risico. Verder vormt maaibeheer in zeer natte terreinen een belemmering voor ontwikkeling van microtopografie van slenken en bulten. Deze microtopografie is belangrijk voor de biodiversiteit van kleine zeggenvegetatie.

Kans: Waterberging
Door de klimaatverandering wordt een toename verwacht van het aantal intensieve regenbuien. Terreinen met nat schraalland kunnen als waterbergingslocatie worden aangewezen. Overstromingen met oppervlaktewater zou positief kunnen zijn voor natte schraallanden, omdat het zorgt voor aanvoer van basen en daarmee verzuring tegengaat. Tevens zou het gecombineerd kunnen worden met gewenste vernatting. Meestal is het oppervlaktewater echter te rijk aan nutriënten, zodat overstromingen zal leiden tot eutrofiëring. Mogelijk zijn er wel meer kansen voor functiecombinatie wanneer de ruimtelijke inrichting zodanig is dat nutriëntenrijk slib kan bezinken in minder kwetsbare delen voordat het bergingswater nat schraalland bereikt.

Kans: Kaderrichtlijn Water
De doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) kunnen volgens het OBN Deskundigenteam Beekdallandschap goed samengaan met herstel en ontwikkeling van vochtige hooilanden in beekdalen. De nadruk moet hierbij liggen het terugdringen van vermesting van oppervlakte- en grondwater, het herstel van de morfologie van beken inclusief het verondiepen van beken en een uitwerking van maatregelen op landschapsschaal. Herstel van waterlopen moet daarbij in nauwe samenhang met herstel van de waterhuishouding voor terrestrische natuur plaats vinden. Alleen door te werken aan systeemherstel zullen afzonderlijke maatregelen effectief en duurzaam zijn.