Close Menu

N09.01 Schor of kwelder

Verjonging door dynamiek
Natuurlijke dynamiek kan lokaal veroudering een halt toe roepen of vertragen. Op de eilandkwelders wordt verwacht dat het (gedeeltelijk) verwijderen van de stuifdijken, al dan niet in combinatie met plaggen, dit kan bewerkstelligen. Afgeschermd van de Noordzee zijn in de luwte van deze stuifdijken grootschalig kwelders tot ontwikkeling gekomen, zoals De Boschplaat op Terschelling. Door het doorbreken of verwijderen van de stuifdijk zullen wind en water vanuit de Noordzee weer vrij spel krijgen, waardoor door erosie en zandverstuivingen kale plekken ontstaan. Daar kunnen pioniergemeenschappen weer tot ontwikkeling komen. Deze maatregel is op de Nederlandse Waddeneilanden nog niet eerder actief uitgevoerd; wel hebben vergelijkbare ontwikkelingen zich ‘spontaan’ voor gedaan bij het “gat” in de stuifdijk bij Paal 12 op Schiermonnikoog en na de stopzetting van het onderhoud van Rottumerplaat.

Locaties doorbraak
De keuze van geschikte locaties voor doorbraken in de stuifdijk kan gebaseerd worden op historische of bestaande gegevens van washovers en washover-complexen. Mocht de ingreep tot ongewenste resultaten leiden, dan kunnen deze laagtes snel hersteld worden. Op plaatsen waar al zeer waardevolle plantensoorten voorkomen kan de begroeiing lokaal beschermd worden door bijvoorbeeld de aanleg van een naar binnen gerichte wal. Overigens kan de vorming van washover-complexen alleen op een landschappelijk grote schaal plaatsvinden, vanwege de benodigde ruimtelijke dynamiek.

Bij het doorbreken van stuifdijken is sterke ontwatering niet wenselijk omdat dit de ontwikkeling van oude, soortenarme successiestadia bevordert. Daarom kan de ontstane washover-vlakte beter zo weinig mogelijk aansluiten op bestaande kreken van de achterliggende kwelder. Daarnaast bepaalt de verwachte ontwikkeling van het strand (breedte, aanwezigheid van embryoduinen) hoe veel dynamiek naar de kwelder door kan dringen.

Stoppen ontwatering
Door het stopzetten van het onderhoud aan de kunstmatige ontwatering wordt de vorming van oeverwallen en kommen bevorderd, wat de ruimtelijke structuur ten goede komt. Het actief verondiepen van de diepe watergangen door bijvoorbeeld een drempel op te werpen lijkt effect te moeten hebben maar in de zogenaamde ‘krekenproef’ (zie van Duin & Dijkema 2003) bleek dit toch niet effectief. Daarnaast zijn soorten van de oudere successiestadia zoals Kweek en Zeekweek niet goed bestand tegen vernatting, vooral niet in combinatie met beweiding. In de Dollard is door de combinatie van vernatting en beweiding Kweek teruggedrongen. Zonder beweiding ontstaat op den duur een kwelder met alleen Riet. In de Peazemerlannen was sprake een van zeer gevarieerde ontwikkeling met oeverwallen en kommen (via zonering naar sec. pioniervegetatie) maar door onvoldoende beweiding heeft Zeekweek geleidelijk aan vanuit de oeverwallen de kwelder overgroeid.

Secundaire pioniervegetaties kunnen vooral in de kommen tot ontwikkeling komen. Als niet wordt beweid, zal secundaire pioniervegetatie in de kommen worden gedomineerd door Engels slijkgras (zie van Wesenbeek et al., 2014). Secundaire pioniervegetatie van Zeekraal en Klein schorrenkruid is mogelijk al indicator voor beweiding.

Beweiding blijft echter noodzakelijk om de ontwikkeling van oudere successiestadia in te perken. Door vernatting zal beweidbaarheid van de kwelder afnemen als ook de lengte van het weideseizoen en ontwikkelt zich zonder beweiding Atriport op de natte delen.

Ontpoldering
Mogelijkheden voor areaalvergroting liggen voornamelijk bij polders en zomerpolders, die door het (deels) verwijderen van (zomer)dijken weer in kwelders veranderd kunnen worden. Dit is ook een mogelijkheid om van smalle gradiëntarme - naar brede, gradiëntrijkere kwelders te gaan.

De eerste ontpolderingen waren niet gepland maar vonden plaats door stormen, waarna dijkreparatie niet effectief was (Peazemerlannen, Holwerterwestpolder) of niet werd uitgevoerd (Sieperdaschor).

De proefverkweldering in Noord-Friesland Buitendijks werd in 2001 opnieuw aan de invloed van eb en vloed blootgesteld door het graven van drie openingen in de voormalige zomerdijk. Kwelderontwikkeling kwam hier zeer snel op gang en binnen enkele jaren werden vrijwel alle plantensoorten van de buitendijkse kwelder in het ontpolderingsgebied aangetroffen.

Aandachtspunten bij ontpolderen

  • Kijk goed naar de geomorfologie. Terreinen die te hoog liggen ten opzichte van het gemiddelde hoogwaterniveau zullen te weinig invloed van het zeewater ondervinden. Is het terrein daarentegen lager dan de voorliggende kwelders of wadplaten, dan kan het binnenstromende water niet gemakkelijk uitstromen.
  • Zorg voor goede ontwatering door middel van kreken. In natuurlijke situaties zal kwelderaanwas gepaard gaan met de vorming van een krekenstelsel. Bij ontpoldering echter zal het uitslijten van kreken in de uitontwikkelde grond niet makkelijk gaan. Bovendien is meestal een kunstmatig drainagesysteem aanwezig. Om tot een grotere natuurlijkheid te komen, kunnen bestaande drainagestelsels gedicht worden en nieuwe meanderende kreken worden gegraven op basis van historisch kaartenmateriaal of luchtfoto’s.
  • Kies een juiste grootte van de opening in de dijk. Bij een te kleine opening, bijvoorbeeld door aanwezigheid van een sluis of dam, kan de invloed van het zeewater zo beperkt worden dat er nauwelijks kweldervegetatie tot ontwikkeling kan komen en dat ruderale soorten gaan overheersen. Dringt het zeewater eenmaal binnen, dan is de uitstroommogelijkheid vaak beperkt en kan een situatie met langdurig stagnerend water ontstaan.
  • Gebruik bij voorkeur geen sluis óf een geavanceerde versie zoals langs de Schelde (Vlaanderen): bij een gereduceerd getij is grote kans op stagnerend water, waardoor aan de ene kant onder water veel slib wordt afgezet en aan de andere kant een vergrote kans op oeverafslag ontstaat.
  • Een belangrijk ecologisch bezwaar van een gedempt getij is dat de invloed van het zoute water veelal niet groot is, waardoor de ontwikkeling van een zilte vegetatie achterblijft bij de verwachtingen. De vegetatiezonering langs de hoogtegradiënt wordt beperkt tot een relatief smal gebied en zal zich een scherpe vegetatiegrens ontwikkelen op de grens van zoet en zout. Bij een geringe getijslag is het niet ondenkbaar dat de ontwikkeling van de kweldervegetatie zelfs beperkt blijft tot één of twee vegetatiezones.
  • Zorg voor natuurlijke aanvoer van zaad of vegetatieve delen door het zeewater. Door de dijkdoorbraak in het najaar plaats te laten vinden, is er nog veel zaad aanwezig en hebben de soorten meer kans het herstelgebied binnen te komen dan in het voorjaar. De nabijheid van een brongebied speelt hierbij ook een rol. Ligt er een goed ontwikkelde kwelder voor het ontpolderingsgebied, dan is de kans groot dat de meeste soorten hun weg vinden naar het nieuwe gebied.

Tegengaan erosie
Op smalle kwelders waar natuurlijke aangroei niet of nauwelijks te verwachten is, kan de erosie door inrichtingsmaatregelen worden bestreden:

  • vastleggen van geulen door het onder water aanbrengen van geulwandverdediging;
  • aanleg van stroomgeleidingsdammen;
  • aanleg van een harde vooroeververdediging van de kwelder met breuksteen;
  • kwelderrandverdediging met klei of stenen beschoeiing.

Tot vrij recent werd erosie bijna standaard tegengegaan door de aanleg van of een vooroeververdediging of een stenen beschoeiing. Het nadeel is dat het dynamische karakter van de kwelder aan banden wordt gelegd en mogelijke verjonging wordt tegengegaan. Zonder kwelderrandverdediging zouden verschillende kleine kwelders allang verdwenen zijn.

Tegenwoordig is men echter terughoudender en ligt de nadruk op het werken met zachtere materialen zoals rijshoutdammen en kleisuppleties. Daarmee kan een flexibeler beheer worden gevoerd, doordat deze methoden in de loop van de tijd kan worden afgestemd op de lokale ontwikkelingen.

Tegengaan veroudering met beweiding
De kwaliteit van kwelders wordt in belangrijke mate afgeleid uit de diversiteit van de vegetatie. Van belang hierbij is dat over een groter gebied gezien alle vegetatietypen van pionierzone tot en met hoge kwelder aanwezig zijn.

Wanneer op kwelders een beheer van ‘niets doen’ zou worden toegepast, kunnen oudere soortenarme successiestadia de overhand krijgen. Dit is met name het geval op kwelders met een relatief hoge sedimentatiesnelheid. Kortom: voor de instandhouding van de verscheidenheid aan plantengemeenschappen is op de meeste kwelders een actief beheer noodzakelijk, en daarbij wordt vaak beweiding ingezet. Bovendien wordt de verticale groei van kwelders door beweiding belangrijk vertraagd.

opvolging stadia kwelder

Overzicht van de opeenvolgende ontwikkelingsstadia van vastelandskwelders. T= 0: convex wadplaat profiel met beginnende weldervorming, T = 1: ontwikkelde kwelder met alle zones aanwezig, T = 2: volledig ontwikkelde kwelder met vrijwel recht horizontaal profiel, T = 3: kom en oeverwal systeem met secundaire pionierzone, T = 4: kliferosie en brakke zone, T = 5: opslibbing voor de klif en nieuwe kweldervorming. Bron: Van Wesenbeeck, B. et al (2014), Verjonging van half-natuurlijke kwelders en schorren [klik voor vergroting]

Soort vee
Begrazing op kwelders kent als specifieke omstandigheid de jonge en zachte bodems en daarmee een groot verschil in effect van beweiding op (slikkige) bodems die nog verdicht kunnen worden en (zandige) bodems die hier vrijwel niet gevoelig voor zijn en de interactie met de sedimentatie.

Er is een duidelijk verschil in (graas)gedrag tussen paarden, runderen en schapen, o.a. door verschillen in spijsverteringstelsels tussen paarden aan de ene kant en herkauwers aan de andere kant. Uitgaande van een gelijke lichaamsgrootte nemen paarden meer voedsel op dan runderen. Daarnaast zijn paarden veel mobieler, waardoor invloed van vertrapping veel hoger is dan bij beweiding door runderen. Bij elkaar opgeteld betekent dit dat bij een gelijke veedichtheid, aan het einde van het seizoen bij paardenbeweiding een veel lagere biomassa over is. Een hoge veedichtheid is op de kwelder voor alle groepen ongewervelden ongunstig. Bij paarden is dat al het geval bij ongeveer 1 dier/ha.

Schapen zijn selectievere grazers dan runderen en sommige plantensoorten kunnen bijna volledig door schapen worden onderdrukt. Vanuit natuurbehoud gezien heeft de inzet van runderen daardoor de voorkeur.

Beweiding en broedvogels
Veel kwelderbroedvogels laten een negatieve trend zien. Behalve een lager broedsucces door een hogere overstromingskans in het broedseizoen, worden predatie en beweiding ook als belangrijke factoren gezien. Nestpredatie vindt plaats door zowel grondpredatoren (Vos, wilde kat, marterachtigen en ratten) als vanuit de lucht (roofvogels, kraaien, meeuwen). Door beweiding kunnen aanzienlijke vertrappingsverliezen van nesten (en kuikens) optreden. Daarnaast wordt door beweiding de mogelijkheden voor dekking verlaagd, waardoor voor soorten die hiervan afhankelijk zijn (o.a. de Tureluur) de kans op predatie aanzienlijk kan stijgen. Voor kwelders waar broedvogels een voorname rol in de beheerdoelstelling hebben, wordt vanuit het voorbehoudsprincipe aanbevolen het weideseizoen vanaf 1 juli van start te laten gaan.