Close Menu

N07.01 Droge heide

Grootschalig plaggen geeft monocultuur
In de afgelopen zestig jaar werd als meest gebruikte vorm van herstelbeheer in heidegebieden ingezet op het afplaggen van de toplaag. In de laatste jaren is duidelijk geworden dat dit weliswaar zorgt dat de opgehoopte stikstof wordt verwijderd, maar dat dit ook zorgt voor een verwijdering van alle in de organische stof opgeslagen fosfaat. Dit resulteert in een monocultuur van vooral jonge heide.

Naar een integraal heidebeheer
Voor het herstel van het dynamische en gevarieerde heidelandschap met jonge en oude heide, jeneverbesstruwelen, akkers en de bij die variatie en diversiteit horende flora en fauna is een meer integraal heidebeheer nodig. Beheermaatregelen die geschikt zijn voor de droge heide zijn het begrazen van heide met schapen, runderen of andere dieren, het plaggen, het branden, en het beheer van afzonderlijke elementen als jeneverbesstruwelen, zandwegen en brandgangen, en het bevorderen van de structuur van het heidelandschap. Recentelijk is daar de toepassing met steenmeel als natuurherstelmaatregel bijgekomen.

Toevoegen van steenmeel als herstelmaatregel in droge en natte heide
Het toedienen van bufferstoffen in de vorm van silicaat-steenmeel blijkt op basis van 3-jarige veldexperimenten succesvol te zijn. Na toediening van verschillende soorten steenmeel werd een toename in de bodembuffering (meer basische kationen, minder Al) gemeten, verbeterde de chemische samenstelling van de vegetatie en werd een licht positieve verandering in de soortensamenstelling gemeten. Steenmeel heeft daarmee op korte termijn zeker potentie als herstelmaatregel van verzuurde heide. Tegelijk is echter ook duidelijk dat het toedienen ervan maatwerk is. Inzicht in de nutriëntenstatus, de bodemsamentelling en in de beoogde vegetatie zijn noodzakelijk om tot een goed onderbouwd advies te komen. Ondertussen wordt hard gewerkt om steenmeeltoepassing van een experimentele maatregel tot een breed toepasbare herstelmaatregel te ontwikkelen. Momenteel is er bijvoorbeeld nog niets bekend over de (middel)lange termijneffecten, en kan niet worden uitgesloten dat het gebruik van steenmeel in enkele situaties negatief kan uitpakken. Om deze stap van experiment naar praktijkmaatregel te kunnen zetten, is het uitvoeren van goed gevolgde en onderbouwde grootschalige veldproeven essentieel. Hierbij kan in verzuurde droge heide al op praktijkschaal worden getest. 

Aandacht voor historische gradiënten
Herstelbeheer van droge heide moet overal zo mogelijk gericht zijn op het herstel van het volledige heidelandschap, inclusief de graduele overgangen van jonge naar oude heide, van heide naar akkers, andere landbouwgronden, stuifzanden, bossen, enzovoort. De rijkere componenten zouden ten minste 10%, maar liever nog wat meer, van het heideareaal moeten beslaan voor het herstel van de biodiversiteit. Bij het herstelbeheer zou ruime aandacht moeten zijn voor historische gradiënten in het landschap, maar ook verschillen in bodemtypen en humusprofiel.

Landschapsecologische systeemanalyse
Het uitvoeren van een landschapsecologische systeemanalyse kan helpen om te bepalen wat wel en wat niet binnen een heideterrein nagestreefd kan worden en waar de beste kansen liggen voor het ontwikkelen van de verschillende typen droge heide. In grote heidegebieden is per definitie meer variatie aanwezig, waardoor beheerkeuzes makkelijker naast elkaar uit te voeren zijn. In kleinere gebieden is het nog meer noodzakelijk om een goed beeld te vormen van de bestaande waarden. Daarnaast bepaalt de ligging van het heidegebied welke externe factoren aan de vormingsgeschiedenis van het gebied hebben meegespeeld.

Plaggen moet kleinschalig
Plaggen is een zeer rigoureuze maatregel en dient dan ook met veel reserve te worden uitgevoerd. De voorkeur gaat uit naar een combinatie van maatregelen, waaronder maaien en branden in combinatie met begrazen en chopperen. Plaggen dient alleen nog kleinschalig en gericht te worden uitgevoerd, zonder hele heidevelden van hun bodemlaag te ontdoen. Dat kan op een wat grotere schaal bijvoorbeeld via het zogenaamde visgraatmotief, waarbij er sommige, kleine delen van het heideveld wel worden geplagd, maar delen daarnaast juist niet. Daarmee worden gradiënten in de heide gerealiseerd, met oude en jonge heide. Plaggen dient gevolgd te worden door het toevoegen van bufferende stoffen, zoals steenmeel maar geen kalk, en een kleine hoeveelheid fosfaat. Wat betreft fosfaattoevoeging na plagbeheer heeft OBN veldexperimenten uitgevoerd.

Drukbegrazing
Drukbegrazing met schapen kan in vergraste droge heide als herstelmaatregel succesvol zijn. Hiermee kan vergrassing met pijpenstrootje en bochtige smele bestreden worden, en het resulteert in een vaak structuurrijke, door struikheide gedomineerde heide. Met een begrazingsintensiteit van 500-1600 graasdagen per jaar per hectare kan jaarlijks 2 à 3 keer de bovengrondse biomassa grotendeels worden afgevreten. De drukbegrazing dient minimaal 3 jaar achtereen te worden uitgevoerd, totdat de dominantie van de grassen en de strooisellaag wordt doorbroken en de struikhei begint te kiemen. Daarna kan de begrazing extensiever worden, als onderdeel van het reguliere beheer.

Akkers
In de laatste jaren is er meer belangstelling voor het herstel van akkers in heidegebieden. Actief extensief akkerbeheer en (langdurig) braakliggende akkers herbergen een hoge diversiteit aan fauna en flora. Het herstel van akkers in heidegebieden zorgt voor een toename van zowel karakteristieke akkersoorten als heidesoorten. Braakliggende akkers kunnen zich ontwikkelen tot schraalgraslanden. Uit onderzoek blijkt dat het inrichten van een extensieve akker eenvoudig is op locaties waar vroeger al een akker lag. Een eenmalige mestgift van 10-20 ton stalmest per hectare is voldoende om twee jaar achtereen een gewas te telen. Voor een roulatiebeheer met akkers en schraalgrasland dient de voedselrijkdom van de bodem laag te blijven. Dat kan door weinig eisende gewassen als evene en boekweit te gebruiken.

7 kansen voor beheer droge heide
In de brochure van OBN over heidebeheer, 'Heidelandschap in ontwikkeling' worden zeven kansen onderscheiden voor een meer integraal beheer van droge heide. Deze zullen hieronder kort worden weergegeven:

  1. Kies voor jonge (steeds verjongde) óf oude heide. Oude heide is een wezenlijk en historisch onderdeel van een gevarieerd heidelandschap, en heeft een extensief beheer nodig. Het andere uiterste is de zeer open en droge stuifzandheide met veel warmte minnende soorten, waarvoor een intensiever beheer nodig is. Voor een weloverwogen keuze is het van belang om naar de onzichtbare laag van bodemontwikkeling te kijken.
  2. Ontwikkel geleidelijke overgangen naar bos. Dit levert een grotere variatie aan leefomstandigheden voor dieren.
  3. Open het heidelandschap. Met corridors en kapvlaktes kan de verbinding tussen heidevelden, beekdalen en escomplexen worden hersteld. Dit kan ook worden gedaan bij het omvormen van voormalige landbouwgronden, bijvoorbeeld via een permanente vorm van extensief akkerbeheer
  4. Geef geel de ruimte. Gele bloemen als valkruid, brem, muizenoortje en gewoon biggenkruid geven plekken aan met potentie voor heischrale ontwikkeling. Er zijn vaak ingrijpende herstelmaatregelen nodig, die gericht zijn op het herstel van de bodemcondities. Het gaat hierbij om nog experimentele methoden als toediening van fosfaat, kalk of het elementenrijkere steenmeel.
  5. Koppel voedselarme en voedselrijke delen. De aanleg van nieuwe akkers of het herstel van oude akkercomplexen kan een grote bijdrage leveren aan de biodiversiteit, zowel op korte termijn als na braaklegging en aanvullende begrazing
  6. Gebruik medegebruik. Veel door mensen gebruikte hoekjes of paden hebben een heischrale tot grazige vegetatie en vormen daardoor een grote meerwaarde voor het droge heidelandschap.
  7. Graas in gradiënten. Voor het herstellen en versterken van aanwezige gradiënten in het landschap is het werken met een door een herder aangestuurde schaapskudde (gescheperde begrazing) het meest gunstig. Er ontstaan extensief en intensief begraasde vegetaties.

Verjonging van jeneverbessen
Uit het rapport Herstel van jeneverbesstruwelen blijkt dat er vier mogelijke herstelstrategieën mogelijk zijn voor de verjonging van jeneverbesstruwelen:

  1. Zaaien. Voor deze herstelstrategie zijn zeer grote aantallen bessen nodig. Aangeraden wordt: gebruik van bessen van lokale herkomst en bronpopulaties op vergelijkbare standplaats, oogst van zwartblauwe bessen tussen half-september en half-oktober en controle van de vitaliteit van de moederstruik. Het is van belang om de bessen goed onder te werken, en vee en wild tijdelijk weg te houden van de zaaiplekken. Deze strategie is kansrijker in jaren met een lage konijnenstand.
  2. Bevorderen natuurlijke verjonging in het open veld. Bij het bevorderen van natuurlijke verjonging in het open veld zijn drie factoren van belang:
    1. voldoende aanvoer van zaden door vogels (vooral lijsterachtigen: kramsvogel, grote lijster en in sommige gebieden ook wielewaal);
    2. een mechanisme dat ervoor zorgt dat de zaden in de bovengrond ondergewerkt raken;
    3. beschikbaarheid van een geschikt substraat.
  3. Uitplanten van jonge jeneverbesstruiken. Deze strategie lijkt slecht te passen in de Nederlandse traditie van natuurbeheer, waarbij ingrepen aansluiting bij historisch landgebruik veelal de voorkeur heeft boven "tuinieren". Toch zou het uitplanten van jeneverbesstekken ook in de Nederlandse situatie een aantal voordelen kunnen hebben:
    1. Het is een relatief eenvoudige, snelle, doeltreffende en goedkope benadering.
    2. De maatregel is bij uitstek geschikt in situaties waar haast geboden is omdat de nog aanwezige jeneverbespopulatie klein of zeer weinig vitaal is.
    3. De maatregel kan worden uitgevoerd met minimale schade aan het aanwezige ecosysteem (plaggen is niet nodig!) en biedt meer dan bovenstaande strategieën op termijn kansen voor een waardevolle ondergroei.
  4. Ingrijpen binnen de bestaande struwelen. In Noordwest-Duitsland is geëxperimenteerd met rigoureuze dunningen binnen bestaande jeneverbesstruwelen in combinatie met begrazing. De eerste berichten over resultaten hiervan zijn positief. Deze benadering biedt een aantal interessante kansen:
    1. Het vrijstellen van jeneverbesstruiken bevordert de windinvloed binnen de struwelen en verhoogt daarmee de kans op bevruchting en vorming van kiemkrachtige zaden.
    2. De toename van instraling op de bodem heeft een versnelde mineralisatie van de strooiselpakketten tot gevolg.
    3. Open struwelen zijn aantrekkelijker voor het vee. De graasintensiteit binnen de struwelen zal hierdoor sterk toenemen zodat de versnelde mineralisatie niet tot verruiging behoeft te leiden.
    4. Het vee zal binnen de struwelen voor meer bodemroering zorgen waardoor bessen en zaden eerder met een zandlaagje overdekt raken. Dit is gunstig voor de kieming. Het verhoogde lichtaanbod zal de levenskansen van de jonge kiemplanten verhogen.
    5. Plaatselijk zullen binnen de opengemaakte struwelen nieuwe openschaduw-milieus ontstaan. Dit is gunstig voor een ondergroei van zeldzame en bedreigde mossoorten.