Close Menu

N06.05 Zwak gebufferd ven

Buffercapaciteit op orde
Voor herstel  van zwak gebufferde vennen is het noodzakelijk dat de buffercapaciteit en ijzerhuishouding op orde zijn. Ook goede grondwaterkwaliteit en -kwantiteit zijn van groot belang. Gradiënten in waterkwaliteit moeten worden hersteld of gestimuleerd, om op die manier te zorgen voor een zo groot mogelijke biodiversiteit.

De verschillende vormen van aantastingen treden in vennen vaak in gecombineerde vorm op. Voor maatregelen op maat is eerst een goede diagnose van de problemen nodig. Daarnaast is het van belang de nog aanwezige waardevolle natuurwaarden te inventariseren. 

Om de juiste diagnose te kunnen stellen en de maatregelen te kiezen die daarbij passen, is een vennensleutel ontwikkeld. Met de sleutel kunnen beheerders het ventype vaststellen, de aantasting en oorzaken analyseren en de juiste beheers- en herstelmaatregelen bepalen.  De website geeft ook informatie over ecologische sleutelprocessen die in vennen plaatsvinden.

Verwijderen van de sliblaag
Een veel toegepaste herstelmaatregel in vennen is het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de sliblaag. Het verwijderen van slib heeft pas zin als tegelijkertijd wordt voorkomen dat het ven daarna niet meteen weer gaat vermesten of verzuren. Het is belangrijk de modderlaag tot op de minerale zandbodem of de vaste veenbodem te verwijderen zonder daarbij de vorm van het ven aan te tasten of het ven te verdiepen.

Hoe dit verwijderen in zijn werk gaat (geheel of gedeeltelijk,nat of droog,gefaseerd of in één keer) moet worden afgestemd op de aanwezige natuurwaarden. De sliblaag kan van belang zijn voor de buffering, dus rigoureus verwijderen is niet altijd de beste optie. Gradiëntversterkende elementen, zoals ondiepten en helofytenvelden, moeten bovendien niet zonder meer worden verwijderd.

Peilfluctuaties
Een groot deel van de zwak gebufferde kent een vrij grote, jaarlijkse peilfluctuatie. Dit droogvallen heeft een natuurlijk zuiverende werking. Stikstof dat in de onderwaterbodem is vastgelegd, in de vorm van ammonium, wordt bij droogval omgezet in nitraat. Beide vormen van stikstof hebben een vermestende werking, maar als de waterstand weer stijgt zal een deel van het nitraat worden omgezet in gasvormig stikstof en verdwijnen naar de atmosfeer. Vooral in niet-zure vennen met een glooiende minerale bodem kunnen peilfluctuaties worden ingezet om stikstof op die manier uit het venmilieu te verwijderen, zoals ook te lezen is in het OBN-rapport 'Vennen in een veranderend klimaat'.

effect droogvallen
Schematisch overzicht van de effecten van tijdelijk droogvallen op de fosforcyclus (links) en op stikstofverliezen (rechts). Onder natte condities wordt fosfor gemobiliseerd, terwijl droogval leidt tot een immobilisatie van fosfor. Droogval leidt tot nitrificatie van ammonium in de geoxideerde toplaag van de bodem. Het nitraat kan uitspoelen naar de diepere anaerobe bodem waar het wordt gedenitrificeerd tot stikstofgas. Bron: Smolders et al. (2006).

Plaggen van de oever
Een belangrijk deel van de flora en fauna van vennen is afhankelijk van de oeverzone, het gedeelte tussen de laagwaterlijn en de hoogwaterlijn. Door de periodieke overstroming en door de voedselarme omstandigheden, is er van nature vaak een open vegetatiestructuur op ten minste een deel van de oever. Vooral door vermesting zijn van oorsprong voedselarme oeverdelen dichtgegroeid. Door deze plantengroei (inclusief de voedselrijke toplaag van de bodem) te verwijderen, oftewel te plaggen, kan de voedselarme situatie worden hersteld. Er zijn ook zeldzame dieren, planten en paddenstoelen die juist afhankelijk zijn van de ruigere delen van de oever. Een goede afweging tussen het belang van de huidige natuurwaarden en de noodzaak tot plaggen is dus altijd nodig. Om het verlies van gradiënten en fauna tegen te gaan, verdient het de voorkeur om kleinschalig en gefaseerd te plaggen. Als bij een ven ook het waterpeil wordt hersteld, moet dat gebeuren voorafgaand aan het plaggen.
Meer hierover is te lezen in het 'Preadvies kleine ecotopen in de hydrologische gradiënt'.

Herstel buffering inzijggebied
In vennen die hun buffering ontvingen van contact met beekwater is dit contact vaak verbroken door de toenemende voedselrijkdom van het water. Indien de waterkwaliteit van het beekwater voldoende kan worden hersteld, kunnen op deze manier ook vennen en venreeksen met zwak gebufferd water weer worden hersteld.  Een wat zwakkere  buffercapaciteit van het ven kan ook worden hersteld door bekalking van venoevers of inzijggebied. Daarvoor moet de bodem schaars begroeid of onbegroeid zijn, zoals in heide- en stuifzandgebieden. Bij te veel begroeiing moet er eerst worden geplagd. Stuifzand kan zelf ook bijdragen aan buffering. Door vegetatie vastgelegd stuifzand is weer aan het stuiven te krijgen door het verwijderen van de vegetatie in een voldoende groot gebied.

Herintroductie
De verspreiding van soorten van ven tot ven verloopt voor waterplanten vaak zeer moeizaam, vooral bij geïsoleerd liggende vennen. Wanneer een soort verdwenen is, maar de standplaatscondities wel volledig kunnen worden hersteld, valt herintroductie te overwegen. Dit geldt met name voor soorten die de herstelmaatregelen ondersteunen, zoals oeverkruid of andere isoëtiden. Deze soorten doorluchten  de bodem en zorgen daarmee voor een voedselarmer milieu.

Begrazen
Begrazing kan de opslag van oevergewassen en struweel tegengaan en dus bijdragen aan succesvol venherstel. Er kunnen ook negatieve effecten aan verbonden zijn, zoals bemesting van het water door  grazers die bij warm weer de hele dag in het ven staan. Vennen met verlandingsstadia, drijftillen en oevers met hoogveen- of trilveenplanten zijn bovendien zeer gevoelig voor betreding. Bij begrazingsbeheer in dergelijke situaties is uitrastering noodzakelijk om verlies van natuurwaarden te voorkomen.