Close Menu

N06.05 Zwak gebufferd ven

Bedreigingen in zwak gebufferde vennen
Zwak gebufferde vennen worden bedreigd door vermesting, verzuring en veranderingen in de waterhuishouding. Het venwater en de venbodem zijn van nature arm aan voor planten beschikbare koolstof (C), stikstof (N) en fosfaat (P). Een kleine toename van deze stoffen leidt al tot achteruitgang van de natuurwaarden door een afname van de interne variatie. Uiteindelijk verdwijnen vaak hele kenmerkende elementen van de vegetatie uit een ven, zoals drijftillen of vegetaties met isoëtide waterplanten

successie oeverkruidven
Impressie van de successie in oeverkruidvennen (zwak gebufferd water) en de belangrijkste natuurwaarden in de diverse stadia. Uitgegaan is van een ven in het oorspronkelijke,halfnatuurlijke heidelandschap. Bron: Brouwer, E. et al, (2009), Effectiviteit van herstelbeheer in vennen en duinplassen op de middellange termijn

Vermesting
Stikstofverrijking vindt in vennen hoofdzakelijk op twee manieren plaats: via de lucht en via het grondwater. Dat laatste gebeurt vooral via uitspoeling van nitraat uit landbouwgronden en bossen en heeft vaak ontijzering, verzuring en sulfaatbelasting van het grondwater tot gevolg.

Fosfaatverrijking vindt meestal plaats door aanvoer van fosfaatrijk water uit landbouwgebieden. Ook kan de hoeveelheid fosfaat in het water toenemen door uitwerpselen van grote hoeveelheden watervogels of grote grazers. Daarnaast kan vermesting door aanvoer van sterk gebufferd oppervlaktewater of vrijkomen van fosfaat uit de waterbodem (als gevolg van hoge waterstanden of het wegvallen van ijzeraanvoer) de oorzaak zijn.

Vermesting leidt tot overheersing van een beperkt aantal soorten, tot het dichtgroeien van het ven vanuit de oever en tot de vorming van een sliblaag op bodem en oevers.

Verzuring
Verzuring vond in het verleden vooral plaats door zure regen. Vooral de zeer zwak gebufferde vennen zijn daardoor zwaar getroffen: in het merendeel van deze vennen is een deel van de flora en fauna vrijwel geheel verdwenen.

Het fenomeen 'zure regen'  is de laatste decennia sterk afgenomen. Herstel blijft echter beperkt door de toevoer van zuur water uit de omgeving (het 'inzijggebied').

De hoeveelheid zure regen en de atmosferische depositie van zwavel zijn sterk afgenomen gedurende de laatste decennia. Dat heeft goed uitgepakt voor de vennen. In verzuurde vennen is de zuurgraad weer met een halve tot hele eenheid gestegen. Door de afname van zwavel neerslag is in veel vennen ook de voorraad geaccumuleerd zwavel al sterk afgenomen. Hierdoor treden er minder extreme pH-schommelingen op in perioden dat de vennen (deels) droogvallen. Er treedt dus al een gedeeltelijk natuurlijk herstel op, al belemmert de sliblaag in deze vennen een compleet herstel. Meer hierover is te lezen in het rapport over herstelbeheer in vennen.

Wijzigingen in de waterhuishouding en ijzerhuishouding
Er zijn vennen met een stabiele waterstand en vennen met een wisselende waterstand. Bij die laatste groep is naast verdroging ook vernatting (met het oog op het warmer en natter worden van ons klimaat) een steeds groter risico.
Verdroging kan bijvoorbeeld optreden door verminderde grondwatertoevoer. Dat leidt tot lagere waterstanden in de zomer, waardoor verzuring optreedt. Ook gaan daardoor grondwaterafhankelijke vegetaties op de oever achteruit, evenals het aandeel ondergedoken waterplanten. Daarnaast kunnen drijftillen verloren gaan. De soortenrijkdom zal bovendien afnemen doordat gradiënten in de waterkwaliteit zullen vervagen bij een afnemende toevoer.

Die afname kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van verminderde kweldruk na bosaanplant: als er meer bomen zijn, neemt de verdamping toe. Andere veel voorkomende oorzaken van verdroging zijn grondwaterwinning en ontwatering. Herstel van de waterhuishouding is maatwerk, dus in elke situatie moet goed worden gekeken wat de wenselijke ingrepen zijn.

Essentieel voor zwak gebufferde vennen is een goed functionerende ijzerhuishouding. Als de grondwatertoevoer afneemt, zorgt dat er ook voor dat er minder ijzer beschikbaar is. De ijzerconcentraties moeten dus in vennen met een wisselende waterstand ook nauwlettend in de gaten worden gehouden.

Inheemse en uitheemse plaagsoorten
In toenemende mate vormen invasieve planten en dieren een bedreiging voor de natuurwaarde van zwak gebufferde vennen. Watercrassula kan vennen op voormalige landbouwgrond overwoekeren en andere soorten verdringen. De zonnebaars vormt een bedreiging voor inheemse fauna. Ook kunnen grote aantallen broedende of pleisterende ganzen het water sterk vermesten met hun uitwerpselen.

Broeikaseffect
Een nieuwe mogelijke bedreiging is de toename van kooldioxide in de atmosfeer en het daaraan gekoppelde broeikaseffect. Een verhoogde kooldioxideconcentratie leidt tot minder schaarste aan koolstof in het venwater. Dit kan nadelig zijn voor hieraan aangepaste waterplanten, zoals isoëtiden, maar voordelig voor andere ‘zachtwatersoorten’. Het is denkbaar dat sommige van deze soorten zich in de toekomst als gevolg van de opwarming zullen terugtrekken naar het noorden. Verder ziet ook de toekomst voor de soms rijke venbegroeiingen op ijsbaantjes er door de klimaatverandering somber uit. De ijsbaantjes zullen bij een temperatuurstijging steeds meer in onbruik raken.

Kans: Inrichting nieuwe plassen
Een nieuwe kans voor de flora en fauna van vennen doet zich voor bij zand- en grindwinningen. Dankzij hun grondwatervoeding en afmetingen zijn de plassen die in zulke gebieden zijn ontstaan vaak arm aan fosfaat en koolstof. Een deel van die plassen is zuur of zwak gebufferd. Spontane vestiging van onder meer knolrus, gesteeld glaskroos, duizendknoopfonteinkruid, vlottende bies en zelfs drijvende waterweegbree is er al waargenomen. Wanneer de oevers vlakker en onregelmatiger worden afgewerkt, kan zich hier een completere venflora ontwikkelen. Dankzij de koolstof- en fosfaatarmoede zijn ook de perspectieven voor de lange termijn hier goed.