Close Menu

N06.03 Hoogveen

Herstel van hoogveen
Doel van het herstel is dat zich weer een goed functionerend veenmosdek ontwikkelt. Dit veenmosdek (de acrotelm) heeft zelfregulerende hydrologische eigenschappen. Daardoor kan het hoogveensysteem zichzelf in stand houden bij wisselende omstandigheden.

Het herstelbeheer van hoogveen is gericht op de uitbreiding van actief hoogveen, op de kwaliteitsverbetering van herstellend hoogveen en op het herstel van gradiënten in zuurgraad en voedselrijkdom. 

Het belangrijkste onderdeel van het herstelprogramma is het vooronderzoek, waarin een diagnose van de uitgangssituatie plaatsvindt. Er wordt een inventarisatie gemaakt van de aanwezige vegetatietypen en fauna-elementen. Ook worden de bestaande waterhuishouding en het resterende veenpakket geanalyseerd. Op basis van de diagnose wordt het herstel- en beheerplan opgesteld, met daarin de herstelmaatregelen en het schaalniveau. Een monitoringprogramma beoordeelt het effect van de maatregelen. Zo nodig vindt bijsturing plaats. Zie ook het rapport ‘Sleutels tot herstel van hoogveen’ in het speciale themanummer van Landschap uit 2016.

Naar aanleiding van het onderzoeksprogramma OBN Hoogvenen is een stappenplan voor herstelprojecten opgesteld, te vinden op de website Hoogveenherstel en in het OBN-rapport Perspectieven voor hoogveenherstel.


Stappenplan voor het uitvoeren van herstel- of beheersmaatregelen op basis van de resultaten verkregen in de eerste fase van het OBN-hoogveenonderzoek. Bron: OBN-symposiumboek Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit (2014)

Vernattingsmaatregelen
De wijze van vernatting verschilt tussen witveen (het weinig vergane deel van het veenpakket) en zwartveen (de donkergekleurde, sterk gehumificeerde veenbodem). Na turfwinning is meestal alleen zwartveen overgebleven, maar soms is de oude toplaag teruggestort. Voor beide typen geldt dat de vernatting geleidelijk en ruimtelijk gefaseerd moet gebeuren. Daardoor heeft de nog aanwezige karakteristieke fauna de mogelijkheid om nieuwe geschikte leefomstandigheden te vinden. Verder moet alle drainage gestopt worden.

Voor zwartveenrestanten is er in de praktijk altijd sprake van inundatie (onderwaterzetting), vaak met permanent open water. Daarnaast kan gewerkt worden met een bufferzone. Verdeling in vakken (compartimentering) kan ook een strategie zijn. Bepaalde delen van het terrein krijgen een permanente plas-drassituatie, andere delen krijgen een functie als waterberging. Van hieruit kan in droge perioden water in de plas-drasdelen worden ingelaten. Doel is de ontwikkeling van een samenhangende functionele acrotelm die de compartimenten overstijgt. Bij het aanleggen van de compartimentering is het belangrijk dat de dammen geen belangrijke bestaande overgangen tussen droog en nat doorkruisen (zoals zandopduikingen in direct omliggend veen), zodat er gradiënten kunnen ontstaan. Zie ook de website Hoogveenherstel.

Bij witveenrestanten is een hervernatting tot in het maaiveld de beste herstelstrategie. Dit wordt bereikt door het afsluiten of dempen van sloten en door de aanleg van dammen. Deze aanpak heeft een heel positief effect op de vegetatie- en faunaontwikkeling.

Bij een dun veenpakket kan het van belang zijn dat het regionale grondwater tot in de veenbasis reikt. Hierdoor neemt wegzijging van water naar de ondergrond sterk af. Bovendien zorgt de zuurbuffering van dit grondwater voor een geringe stimulatie van de veenafbraak. Dat zorgt voor een verhoogde beschikbaarheid van kooldioxide en methaan en daarmee ook voor de groei van veenmossen.

De kansen voor hoogveen staan uitgebreid geschreven in het OBN-themanummer van Landschap, ‘Onderzoek nat zandlandschap’. Hier staat onder andere een sleutel in waarmee per veentype kan worden bepaald wat de meest kansrijke vernattingsmaatregel is.

Herintroductie sleutelsoorten
Voor een goed functionerende acrotelm is de aanwezigheid van een aantal bultvormende veenmossoorten noodzakelijk. In de delen van aangetaste hoogvenen waar deze sleutelsoorten niet aanwezig zijn, kan herintroductie overwogen worden. Bij het introduceren van bultvormende veenmossen in veenmosvegetatie is het aan te raden grotere oppervlakten te transplanteren. Anders bestaat het risico dat een groot deel van de bultvormende mossen overgroeid raakt.

Plaagdieren als gevolg van vernattingsmaatregelen
Vernattingsmaatregelen van hoogveenrestanten kunnen steekmuggenplagen tot gevolg hebben. Dat is met name het geval in geïsoleerde, tijdelijke wateren. Meestal verdwijnt dit probleem binnen een paar jaar, zeker als predatoren (zoals waterroofkevers) deel gaan uitmaken van de faunagemeenschap. Door het kappen van verbindende bomenrijen of struwelen kan voorkomen worden dat muggen in grote aantallen naar bewoond gebied oversteken. Goede communicatie met de omwonenden is altijd van groot belang en draagt bij aan het maatschappelijke draagvlak voor herstelbeheer.
Een ander risico bij vernatting is het ontstaan van grote populaties grauwe ganzen of van meeuwenkolonies. Indien het gevaar bestaat van overbemesting door de uitwerpselen, moet hierbij snel en drastisch worden ingegrepen.