Close Menu

N06.02 Trilveen

Herstel nabij kerngebieden
Trilveen is geen eindstadium in de vegetatiesuccessie. Zonder maai- en hooibeheer zal het type in Nederland uiteindelijk overgaan in bos. Voor herstel en verjonging is echter vaak een andere aanpak nodig. Om trilvenen, jonge verlandingen en veenmosrietlanden in lokale systemen te laten overleven, moeten we in het verlandingsproces ingrijpen. Dit dient niet gedaan te worden op locaties die veel van de zeldzame karakteristieke trilveensoorten bevatten, maar juist op locaties die nabij deze kerngebieden liggen.

Maaien en opslag verwijderen
Trilveen heeft maai- en hooibeheer nodig om te voorkomen dat ze overgaan in broekbos. Handmatig maaien met afvoer van het maaisel is vanouds toegepast in laagvenen als onderdeel van het traditionele landbouwsysteem. Om trilvenen langdurig in stand te houden, wordt nu in de meeste trilvenen ieder jaar gemaaid in de zomer, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Op zeer reliëfrijke plaatsen en randen waar maaien niet mogelijk is, kan de opslag het beste af en toe met de hand verwijderd worden. Onvolledig of niet afvoeren leidt tot versnelde verzuring en verruiging en verbossing.
Hoewel er geen gestructureerd onderzoek is gedaan naar het effect van maaimethodieken, wordt door verschillende experts verondersteld dat het gebruik van relatief zware maaimachines nadelig is voor de structuur van de kragge en kan leiden tot ongewenste verdichting van de kragge.
Voor galigaanvegetaties geldt een aangepast maairegime, omdat de soort zal verdwijnen bij een regime van één keer per jaar maaien. Soortenrijke en goed ontwikkelde vormen komen enkel voor wanneer zij eens in de vier tot vijf jaar in de zomer of nazomer gemaaid worden.
Door bij maaibeurten jonge verlandingsgemeenschappen te ontzien (potentiële voorlopers van trilvenen), voorkomt men beschadiging en verlies van zeldzame planten en dieren. Als tijdelijke overlevingsstrategie is gefaseerd beheren of extra laat in het seizoen beheren van bekende standplaatsen van de zeldzaamste soorten ook een optie. Het is echter wel van groot belang dat boomopslag in deze verlandingsvegetaties wordt voorkomen: anders kunnen potentiële nieuwe trilveenlocaties gelijk doorslaan naar veenbossen.

Waar nodig de aanvoerweg verlengen
Het kan een goed idee zijn om de aanvoerweg van het basenhoudende water naar het trilveen toe langer te maken. In gevallen waar het aanvoerwater te eutroof is, kan dit tot een verlaging van de nutriëntconcentraties leiden. Een risico is dat dit leidt tot te lage concentraties aan basenhoudende elementen nabij de trilvenen. Verlenging is uit te voeren door bestaande sloten anders met elkaar te verbinden en enkele stuwen te plaatsen.

Alléén plaggen werkt vaak niet
Via plaggen kan een verzuurde toplaag worden afgevoerd. Door te plaggen kan de vegetatie verjongen en kunnen basenminnende planten nieuwe kansen krijgen. Er is echter relatief weinig ervaring met de maatregel, en de ervaringen die er zijn, zijn zeker niet onverdeeld gunstig (ook niet in combinatie met bekalken). Er kan in laagvenen snelle herverzuring optreden. De kragge kan namelijk omhoogkomen omdat hij lichter wordt, zoals een ijsberg die boven afsmelt. De invloed van het basenhoudend water is dan even klein als voorheen.
Plaggen heeft ecologisch gezien vermoedelijk de grootste kans van slagen als het in lokale smalle stroken gebeurt, en zodanig dat slenken ontstaan die zich kunnen vullen met gebufferd water. Zo schept men gunstige condities voor basenminnende karakteristieke soorten en verlandingspioniers. Smalle plagstroken worden door de aangrenzende, niet geplagde gebieden op hun plaats vastgehouden en kunnen niet of nauwelijks omhoog drijven.

Begreppeling
Begreppeling voor verbetering van de aanvoer van basenrijk en nutriëntarm oppervlaktewater kan, al dan niet in combinatie met plaggen, een positieve uitwerking hebben op de vegetatie van trilvenen. Onder begreppeling verstaan we hier het graven of frezen van nieuwe greppels in het systeem, zodat de wateraanvoer in het systeem verbetert. Vanuit de nieuwe watergangen die (af en toe) basenhoudend water vervoeren dringen dan bufferstoffen in het veen en houden verzuring tegen, of rijken het veen zelfs aan met basen. Zie voor voorbeeld begreppeling de beheercasus. 

Niet bekalken
Bekalking van zwaar tot licht verzuurde laagveenschraallanden leidt tot wisselende en niet goed verklaarbare resultaten. Het is beproefd in het Vechtplassengebied, maar het heeft in een aantal gevallen ook een negatief effect op het behoud en uitbreiding van basenminnende trilveensoorten gehad. In veel gevallen is het waarschijnlijk weinig effectief, omdat snel verzuring optreedt door gestimuleerde veenmosgroei. Daarnaast kan bekalken leiden tot eutrofiëring door het stimuleren van de veenafbraak. Daarom luidt het advies voor de praktijk: gebruik deze maatregel niet als herstelmaatregel.

Herstel grondwateraanvoer
Trilvenen kunnen op twee manieren pH-gebufferd blijven, namelijk (a) aanvoer van basenrijk oppervlaktewater dat onder, door en/of over de kraggen bij de wortelzone van het trilveen terecht komt, of (b) door aanvoer van basenrijk kwelwater. In trilvenen die voorheen door grondwater gevoed werden en momenteel minder aanvoer van basenrijk grondwater hebben (bijvoorbeeld als gevolg van grondwateronttrekking, aangrenzende diepe polder, afwateringssloten), kan het herstel van de grondwateraanvoer positief uitpakken. In dergelijke gevallen kunnen onder andere het dempen van sloten en het beperken van onttrekkingen een grote positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van het trilveen.   

Dynamisch peilbeheer invoeren
De invoering van een flexibeler peilbeheer kan positief uitpakken voor trilvenen, maar het kan ook negatieve effecten hebben. Een verlaging van het oppervlaktewaterpeil in droge periodes zal ertoe leiden dat er minder ‘gebiedsvreemd’ water hoeft te worden ingelaten. Aangezien dit water vaak vrij rijk is aan nutriënten, is dat voordelig voor trilvenen. Uit verschillende OBN-onderzoeken blijkt echter dat een verlaging van het oppervlaktewaterpeil in de zomer beter vermeden kan worden voor trilvenen, omdat langdurige periodes met lagere oppervlaktewaterpeilen kunnen leiden tot uitdroging, verzuring en eutrofiëring in de topbodems van trilvenen.  

Een verhoging van het maximum oppervlaktewaterpeil tijdens natte periodes heeft vaak wel een positief effect op trilvenen, doordat het vermoedelijk leidt tot een vergroting van de basenrijkdom in de topbodem van het trilveen. Er dient echter nadrukkelijk rekening te worden gehouden met twee risicofactoren, te weten (a) het oppervlaktewater moet niet te voedselrijk zijn, en (b) als er inundaties optreden mag de bodem van het trilveen niet te fosforrijk zijn.

Actief bevloeien
Actief bevloeien met basenrijk en nutriëntarm oppervlaktewater van verzuurde trilvenen en aangrenzende veenmosrietlanden kan vermoedelijk leiden tot een kwaliteitsverbetering van deze venen, doordat er actief basenrijk water aan de wortelzone van de venen wordt toegevoegd. Momenteel wordt in een lopend OBN-onderzoek onderzocht of deze maatregel inderdaad een positief effect heeft op de kwaliteit van deze trilvenen en veenmosrietlanden.

Niet ingrijpen?
Bekalken en grootschalig plaggen lijken op zichzelf in veel gevallen onvoldoende effect te hebben om verzuring te bestrijden. Zonder gelijktijdige verbetering van de waterhuishouding lijken deze maatregelen geen zinvolle beheermaatregelen om de verzuring te bestrijden. Veenmosrietlanden en moerasheiden hebben net zoals trilvenen een grote natuurwaarde. Is instandhouding van soortenrijk trilveen door maaibeheer niet langer mogelijk en zijn waterhuishoudkundige maatregelen ongewenst of onmogelijk, dan valt te overwegen het streefbeeld voor de locatie bij te stellen en te kiezen voor beheertype N06.01 Veenmosrietland  en moerasheide.

Nieuw trilveen en herintroductie van soorten
Kleinschalig kunnen nieuwe trilvenen in de toekomst mogelijk in laagvenen ontstaan, maar bijvoorbeeld ook in beekdalen. In hoeverre de karakteristieke soorten zich daar automatisch zullen vestigen is onduidelijk en onzeker. Zaadbanken zullen wisselend aanwezig zijn; zeggen en mossen hebben langdurig kiemkrachtige zaden en sporen, veel kenmerkende kruiden niet. Het is gunstig als er bronpopulaties in de nabije omgeving liggen. Herintroductie van soorten (waaronder schorpioenmossen) zou in veel gevallen echter serieus overwogen kunnen worden.