Close Menu

N06.01 Veenmosrietland en moerasheide

Maaien
Veenmosrietlanden zijn geen eindstadia in vegetatiesuccessie; ze hebben maai- en hooibeheer nodig om te voorkomen dat ze overgaan in bos. Handmatig maaien met afvoer van het maaisel is vanouds toegepast in laagvenen als onderdeel van het traditionele landbouwsysteem. Machinaal maaien en afvoeren is soms op dunnere kraggen niet mogelijk en geeft in de natte geaccidenteerde terreinen minder goede resultaten.
Zomermaaien leidt tot meer verschaling en is beter voor flora; wintermaaien is goed voor rietvogels en is goedkoper.
Door bij maaibeurten jonge verlandingsgemeenschappen te ontzien, voorkomt men verlies van zeldzame planten en dieren. Als tijdelijke overlevingsstrategie is gefaseerd beheren of extra laat in het seizoen beheren van bekende standplaatsen van de zeldzaamste soorten ook een optie.

Ook moerasheide kan gemaaid worden. Voorwaarden zijn een stevige bodem zonder veel microreliëf en geen grote structuurverschillen in de vegetatie. Het maaien van moerasheide is een effectieve manier om opslag van bomen, struiken en bramen tegen te gaan. Op plaatsen waar dit niet mogelijk is kan de opslag het beste af en toe met de hand verwijderd worden.

Alléén plaggen werkt niet
Plaggen zet de successie terug, werkt verzuring tegen en kan eventuele oppervlakkige verrijking van nutriënten tegengaan. Door te plaggen kan de vegetatie verjongen en krijgen basenminnende planten nieuwe kansen. Wel kan door plaggen in laagvenen snel opnieuw verzuring optreden. Ook kan er een regenwaterbak ontstaan; het regenwater wordt dan niet afgevoerd, met versnelde verzuring als gevolg. De invloed van het basenhoudend water is dan even klein als voorheen.
In een aantal gevallen sterven ten gevolge van het plaggen van kraggen riet en een deel van de cypergrassen af (omdat de luchtkanalen in de wortelstelsels gevuld raken met water). De kragge kan dan juist extra diep in het water wegzinken. Dat vergroot in eerste instantie de invloed van het basenrijke water. Maar als vervolgens methaan gevormd wordt, kan de kragge toch omhoogkomen, en kan daarna versneld met veenmossen begroeid raken.
Door periodiek krabben of oppervlakkig afplaggen van rietvelden kan de productie van riet worden teruggedrongen. Het laten liggen van het weggehaalde materiaal op de randen van het rietland kan leiden tot vorming van een dammetje, dat regenwater gaat vasthouden en daarmee juist extra verzuring creëert.

Begreppeling én plaggen
Begreppeling voor verbetering van de waterhuishouding kan in combinatie met plaggen een positieve uitwerking hebben op de vegetatie van veenmosrietlanden. Begreppeling houdt in: het graven of frezen van nieuwe greppels in het systeem, zodat de waterhuishouding in het systeem verbetert. Het is hierbij wel van belang dat er met deze greppels basenrijk en nutriëntarm water kan worden aangevoerd. Vanuit de nieuwe watergangen dringen dan basen de bodem in, waardoor verzuring wordt afgeremd.
Het plaggen heeft het beste effect als het in lokale smalle stroken gebeurt en zodanig dat slenken ontstaan die zich kunnen vullen met gebufferd water. Zo schept men gunstige condities voor basenminnende karakteristieke soorten en verlandingspioniers. Smalle plagstroken worden door de aangrenzende, niet geplagde gebieden op hun plaats vastgehouden en kunnen niet of nauwelijks omhoog drijven.

Niet plaggen?
Plaggen heeft op zichzelf onvoldoende effect op de veenmosrietlandvegetatie en er kan snelle herverzuring optreden. Plaggen kan kleinschalig ingezet worden en zal gecombineerd moeten worden met een gelijktijdige verbetering van de waterhuishouding.
Moerasheiden hebben net zoals veenmosrietlanden een grote natuurwaarde. Is instandhouding van soortenrijk veenmosrietland met behulp van maaibeheer niet langer mogelijk, dan valt te overwegen het streefbeeld voor de locatie bij te stellen en te kiezen voor natuurtype moerasheide.
Moerasheide heeft over de jaren heen de neiging om dichter, droger en soortenarmer te worden, ook als de opslag bestreden wordt of anderszins uitblijft. Voor het behoud of de terugkeer van de karakteristieke soorten is het mogelijk om zeer kleinschalig handmatig ondiep af te plaggen. Vaak is een paar centimeter diepte en een paar vierkante meter oppervlakte al genoeg om weer ronde zonnedauw in een terrein te krijgen, en een paar hoogveenlevermossen.

Niet bekalken
Bekalking van zwaar tot licht verzuurde laagveenschraallanden leidt tot wisselende resultaten. De maatregel heeft in een aantal gevallen een negatief effect op het behoud en uitbreiding van basenminnende schraallandsoorten. Daarom luidt het advies voor de praktijk: niet gebruiken als herstelmaatregel.

Opslag verwijderen
Moerasheide die onder de opslag van bramen, struiken of bomen aan het verdwijnen is of al verdwenen is, kan geregenereerd worden door deze opslag te verwijderen. Sommige moerasheiden hebben zeer sterk te lijden onder opslag van de neofyten zwarte appelbes en Amerikaanse vogelkers. Door het verwijderen van opslag in de moerasheide en het laten staan van opslag in de struweel- en bosranden eromheen worden de begrenzingen van de moerasheiden scherp. Een probleem is wel dat de afwisselingen van de verschillende vegetaties op ogenschijnlijk identieke legakkers zo een kunstmatige indruk maken.

Dominantie van soorten
Kraaihei, grote veenbes/cranberry en gewoon haarmos kunnen plaatselijk sterk gaan domineren in een moerasheide. Dit gebeurt pas de laatste decennia en het is duidelijk nadelig voor de diversiteit. Aan de andere kant zijn het karakteristieke soorten van het heidemilieu. Het zijn deels natuurlijke ontwikkelingen. De vraag is of je dergelijke overwoekeringen zijn gang moet laten gaan. Er is nog geen ervaring opgedaan met eventuele ingrepen. Hier geldt: bezint eer ge begint, want er is al zo weinig moerasheide.

Nieuw veenmosrietland
Goede kansen voor nieuwe veenmosrietlanden zijn misschien aanwezig in de nieuwe of nog jonge natuurgebieden in zeekleigebieden. Kleinschaliger ontstaan veenmosrietlanden mogelijk ook elders in nieuwe natuurgebieden of in herstelde natte systemen. In hoeverre zich de karakteristieke soorten daar zullen vestigen is onduidelijk. Zaadbanken zullen er niet aanwezig zijn. Het is gunstig als er bronpopulaties in de nabije omgeving liggen. Ook valt te denken aan herintroductie.

Natuur ruimte geven
Op gebiedsschaal moet ervoor gezorgd worden dat er meerdere successiestadia van de verlanding van open water naar moerasbos aanwezig zijn. Door periodiek stukken open water te laten verlanden of opnieuw te creëren is er ruimte om ook weer nieuwe veenmosrietlanden en uiteindelijk moerasheide te laten ontstaan.

Recreatie- en begrazingsdruk
Bij de inrichting van nieuwe moerassen kan men de kans op vestiging van waardevolle vegetaties van voedselarme oevers en hoogveenvorming verhogen door rekening te houden met recreatiedruk en de aanwezigheid van grote grazers, wilde zwijnen, watervogels en vissen. Verder is vermoedelijk de aanleg van luwe, flauwe oevers en variatie in watergrootte en omvang in het belang van de biodiversiteit.

Waterrecreatie zoneren
Jonge verlandingen en veenmosrietlanden verdragen geen golfslag en geen intensieve vaarrecreatie. Door een goede zonering van de recreatie is schade te voorkomen.