Close Menu

N05.02 Gemaaid rietland

Natuurlijke successie
De grootste natuurlijk 'bedreiging' voor dit beheertype is de natuurlijke successie. Afhankelijk van de waterkwaliteit, en of het een kragge is of op een onvergraven bodem staat, zal het zich ontwikkelen richting een ander beheertype.

  • Op kraggeland wordt door successie de kragge dikker en neemt de invloed van regenwater toe. Bij een goede waterkwaliteit kunnen deze rietlanden zich bij een wintermaaibeheer ontwikkelen tot veenmosriet/veenheide en in bijzondere gevallen tot trilveen, mits er voldoende aanvoer van basen is.
  • Gemaaid rietland op vaste bodems zal zich bij een wintermaaibeheer niet gauw ontwikkelen naar veenmosrietland of trilveen. Door de ophoping van slib en organische stof komen de rietvelden hoger en droger te liggen waardoor de rietgroei en de kwaliteit van het riet afneemt, en ruigtesoorten toenemen. Maaien en afvoeren in de zomer echter voert meer voedingsstoffen af en zorgt voor opener rietvegetatie waardoor eerder trilveen /veenmosrietland ontstaat.

Uit bevloeide gemaaide rietlanden kunnen ook trilvenen ontstaan mits de waterkwaliteit goed is. Hetzelfde geldt voor geplagde rietlanden, zeker geplagde kragges.

Moeilijk te combineren met bescherming moerasvogels
Rietteelt, waarbij het riet jaarlijks gemaaid wordt, en moerasvogels, die afhankelijk zijn van overjarige moerasvegetaties waaronder riet, gaan niet zo goed samen. Aan de andere kant zijn moerasvogels wel afhankelijk van het maaien van riet om het riet niet te veel te laten verruigen en verbossen. Deze tegenstelling betekent een lastige beheeropgave.
Veel Natura 2000-soorten als de blauwborst, purperreiger, roerdomp, rietzanger, woudaapje, porseleinhoen, snor, grote karekiet en bruine kiekendief zijn grotendeels afhankelijk van moerasgebieden met een belangrijk aandeel overjarige helofytenvegetatie.
Verschillende moerasvogels verschillen echter nogal in habitateisen. Overjarig riet (riet dat niet jaarlijks gemaaid wordt) is belangrijk voor de meeste van deze vogels.
De meest kritische soorten zijn gebonden aan overjarige waterrietvegetaties, d.w.z. hoge rietvegetaties die in winter en tot laat in het voorjaar water boven het maaiveld hebben staan. Zo zijn er soorten die hun nest bouwen op een kniklaag van oude stengels net boven het wateroppervlak (roerdomp, purperreiger, bruine kiekendief, snor en baardmannetje) en zijn er soorten als de grote Karekiet, die stevige, hoge overjarige rietstengels nodig hebben voor de bevestiging van hun nest. Als er een onderlaag van zegges tussen het riet aanwezig is dan kan deze ook worden gebruikt. Ook voor het vinden van voldoende voedsel zijn grote oppervlaktes waterriet voor deze soorten van groot belang.

Veel vogelsoorten leven echter niet bij overjarig rietland alleen:

  • Sommige vogelsoorten maken ook gebruik van lisdodde- en mattenbiesvegetaties (roerdomp en snor) en moerasbos (purperreiger) als nestbiotoop.
  • De rietzanger en de blauwborst zijn minder kritisch en bezetten ook drogere rietvegetaties zoals rietruigtes. De blauwborst heeft bovendien open bodem nodig om te foerageren.
  • Het porseleinhoen heeft juist behoefte aan jonge, open moerasvegetaties met lisdodden, zeggen, biezen of gemaaid riet van maximaal 1 meter hoog.

Hoewel overjarig riet in het algemeen de belangrijkste biotoop vormt voor moerasvogels, hebben veel moerasvogels dus ook belang bij de aanwezigheid van alle successiestadia van jong of gemaaid waterriet naar rietruigte en moerasbos. Het is daarom voor rietbewoners in gemaaid rietland belangrijk dat er gemaaid wordt om successie tegen te gaan en een mozaïek aan successiestadia te realiseren, van jong of gemaaid riet tot rietruigte en moerasbos. De kritische factor is echter het realiseren van voldoende stukken nat overjarig riet en rietruigte. Daarvoor is cyclisch maaibeheer nodig (zie Herstel en inrichting).