Close Menu

N05.01 Moeras (vervalt per 31-12-2020)

Inlaat voedselrijk water
Te voedselrijke omstandigheden, bijvoorbeeld door inlaat van voedselrijk water, kunnen in rietruigten voor problemen zorgen, vooral op anaëroob substraat. Onder hypertrofe omstandigheden is de biomassaproductie van riet groot. Dit gaat ten koste van andere soorten, waardoor de biodiversiteit afneemt. Bovendien produceert het riet meer afval, dat op de bodem terechtkomt. Door inlaat van sulfaatrijk water kan interne eutrofiëring optreden, waardoor het veen versneld wordt afgebroken. Bij afbraak onder zuurstofarme omstandigheden ontstaan daarbij ook toxische organische afvalproducten van bacteriën, zoals melkzuur, azijnzuur en oxaalzuur. Daarnaast wordt sulfaat omgezet in het giftige sulfide. Hierdoor kunnen onder andere de wortels van riet afsterven en kan het luchttransport naar de wortels worden belemmerd, waardoor het radiale zuurstofverlies vanuit de wortels afneemt waardoor de bodem nog armer aan zuurstof wordt.

Verdwijnen grootschalige dynamiek
Grootschalige dynamiek - het optreden van stormen met extreme waterstanden in combinatie met harde wind -  is belangrijk voor moerassen in het rivierengebied, omdat dit het dode materiaal uit het moeras spoelt en waait. Deze dynamiek vertraagt de successie naar ruigte of zet zelfs de successie terug door stukken riet weg te slaan, waarna opnieuw verlanding op kan treden.

  • Waterpeilfluctuaties spelen hierin een grote rol, omdat ze ervoor zorgen dat er minder organisch materiaal ophoopt. Ook zorgen de tijdelijk hogere waterstanden voor een minder geschikt kiemingsmilieu voor bomen.
  • Windwerking speelt ook een rol. Waar de wind organisch materiaal uit de rietkraag waait, is het waterriet over het algemeen vitaler en kan het langer standhouden. Als er een dikke strooisellaag ontstaat, is riet niet meer in staat om diep te wortelen. Hierdoor is de verankering van rietstengels slechter, kunnen planten eerder omvallen en hebben ze meer moeite om nutriënten op te nemen.

Op veel plekken is de grootschalige dynamiek verdwenen. Het uitblijven van natuurlijke peilfluctuaties of windwerking zal de successie naar Rietruigte en Moerasbos versnellen. Een uitzondering vormen delen van de uiterwaarden, waar de dynamiek juist is toegenomen doordat de peilen door de bedijking veel meer fluctueren dan vroeger.

Omgekeerd peilregime voor landbouw
In grote delen van Nederland wordt een star of omgekeerd peilregime gehandhaafd. Ten bate van de landbouw is de waterstand in de zomer hoog en in de winter laag. Ook de waterstandfluctuatie is klein ten opzichte van de natuurlijke situatie. Dit heeft een aantal negatieve consequenties voor de meeste typen rietmoerassen. Buitendijks (uiterwaarden) is het waterpeil ook sterk veranderd. Lage peil worden verhoogd voor scheepvaart en door de bedijking zijn de hoge peilen (en dus de fluctuaties) heel veel hoger geworden.

  • De zone tussen hoog- en laagwater is klein geworden, waardoor er fysiek minder ruimte is voor het ontstaan van pionier- of helofytenmoeras.
  • Door het uitblijven van droogval in de zomer is er geen kieming van helofyten meer mogelijk. Kleine lisdodde en mattenbies vormen hierop een uitzondering, omdat zij ruim onder water kunnen kiemen. Riet plant zich vegetatief voort in water waar geen kieming mogelijk is. Hierdoor zijn alle aanwezige rietplanten sterk aan elkaar verwant. Door het ontbreken van genetische variëteit binnen rietlanden is het riet vatbaarder voor ziekten en plagen.
  • Het starre peil zorgt er ook voor dat de belasting van het rietland door golfslag steeds op dezelfde zone plaatsvindt, waardoor het riet in deze zone kan worden aangetast. Gevolg is ook dat hierdoor een strakke overgang tussen riet en water, met een lagere biodiversiteit als gevolg.
  • Bij een star peilregime kunnen ruigtekruiden zich sneller vestigen en zal de successie van rietmoeras naar rietruigte of moerasbos sneller verlopen.
  • Onafhankelijk van de hogere waterstand in de zomer in de landbouwgebieden treedt er onder invloed van de landbouwpeilen forse verdroging op in moerasgebieden. Dit kan zo extreem worden dat in veengebieden het maaiveld van de landbouwgrond onder invloed van de ontwatering daalt, terwijl het moerasgebied hoger komt te liggen dan de omliggende landbouwgronden. Het wordt dan steeds moeilijker om goede waterstanden in het moeras te handhaven.

Gebrek aan jonge verlanding
Het niet (of te weinig) ontstaan van nieuwe jonge verlandingsstadia is een belangrijk knelpunt, dat recent onderwerp van OBN-onderzoek is, te lezen in het Rapport Verlanding van laagveenpetgaten.

Ganzenvraat
Begrazing van oeverplanten kan een belangrijk effect hebben op de ontwikkeling van de oevervegetatie. De aantallen broedende en overwinterende Grauwe ganzen in Nederland zijn de afgelopen 20 jaar exponentieel toegenomen. Ze foerageren op allerlei water- en oeverplanten, waaronder (de wortelstokken van) jong riet en kleine lisdodde. Onder omstandigheden die gunstig zijn voor de vegetatieve uitbreiding van waterriet – een goed doorzicht en een goede water- en bodemkwaliteit – kan vraat door ganzen een zeer belangrijke factor zijn voor het uitblijven van verjonging van het rietland. Daarnaast zijn er gevallen bekend waarin ganzen decennia oud waterriet hebben opgegeten, waardoor populaties moerasvogels zijn ingestort. In OBN verband zijn twee workshops georganiseerd over overlast van ganzen in natuurgebieden en wat daar aan te doen. Zie het verslag van Workshop Ganzenoverlast