Close Menu

N04.04 Afgesloten zeearm

Verslechtering van de waterkwaliteit
De afname in dynamiek in afgesloten zeearmen heeft geleid tot negatieve trends in de waterkwaliteit. In het Veerse Meer zorgen de lozing van meststoffenrijk polderwater en gebrek aan doorstroming en verversing voor algenbloei. De levensgemeenschappen in het brakke water van het meer zijn soortenarm. Ook in het Volkerak-Zoommeer ontstaat algenbloei in de zomer doordat de Brabantse rivieren teveel stikstof en fosfaat aanvoeren.
Bij het Grevelingenmeer is de sluis bijna het gehele jaar open en kunnen grote hoeveelheden plaagalgen het meer binnenkomen. Dit algenmateriaal sterft af in het stilstaande water van het Grevelingenmeer, waarna het naar de bodem van de diepe putten zakt. Voor de afbraak van dit materiaal is veel zuurstof nodig , wat leidt tot zuurstofloosheid in de putten. Deze zuurstofloosheid kan invloed hebben op de visstand.

Japanse oester en andere exoten
Er komen in de Oosterschelde en het Grevelingenmeer steeds meer ‘vreemde’ soorten voor. Onder andere met het ballastwater van schepen komen ze in het water terecht. Doordat het water warmer en zouter is, hebben ze steeds meer kans om te overleven. Een veelvoorkomende exoot is de Japanse oester, die in 1964 door de schelpdiersector bewust is geïntroduceerd als alternatief voor de Zeeuwse platte oester. Sindsdien heeft deze soort zich gestaag uitgebreid in de Oosterschelde. Met de Japanse oester is er een concurrent voor kokkels bijgekomen. Competitie om ruimte en voedsel en predatie van kokkellarven door deze oesters zouden ook een negatieve invloed op het kokkelbestand kunnen hebben. Door erosie van hoger gelegen delen verandert de omgeving ten gunste van de Japanse oester en ten nadele van de kokkels. Hierdoor zal ruimtecompetitie een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Studies wijzen uit dat de opkomst van de Japanse oester een verandering in fytoplankton veroorzaakt (er komen steeds meer kleinere fytoplanktonsoorten voor) en dat is een probleem voor andere dieren die zich met fytoplankton voeden (zoals kokkels). Voedselschaarste kan er toe leiden dat de grote Japanse oester het grootste deel opeist of de larven van de kokkels eet. Inmiddels breidt de Japanse oester zich ook sterk uit naar het Grevelingenmeer en de Westerschelde.

Kokkelvisserij bedreigt scholeksters
Al sinds de jaren zeventig wordt er in de Oosterschelde mechanisch gevist op kokkels. Deze kokkelvisserij richt zich met name op de hoger gelegen delen van platen en slikken, waar zich de beste kokkelgebieden bevinden. Doordat dit ook de gebieden zijn die lang droogvallen en daardoor belangrijk zijn als foerageergebied voor scholeksters is een directe concurrentie tussen vissers en scholeksters waarschijnlijk. Ook andere typen bodemvisserij in het kustwater hebben een negatieve invloed op de nog open deltawateren. De soortensamenstelling verschuift: grotere en traag reproducerende soorten maken plaats voor kleinere en sneller reproducerende soorten.

Erosie door zandhonger
De Oosterschelde is als foerageergebied van groot internationaal belang voor diverse steltlopersoorten. Deze vogels zijn voor hun voedselvoorziening afhankelijk van het intergetijdengebied. Sinds de aanleg van de Stormvloedkering eroderen de platen en slikken in de Oosterschelde. Sediment uit de hooggelegen delen verdwijnt en wordt beneden de laagwaterlijn afgezet. Door deze zogeheten zandhonger wordt de periode waarin deze gebieden droogvallen korter, waardoor vogels minder tijd hebben om voedsel te vergaren.

Verstoring door recreatie
Door toegenomen recreatie worden kustbroedvogels zowel tijdens het foerageren als tijdens het broeden verstoord. Nesten van grondbroeders worden verstoord door honden, fietsers, ruiters en wandelaars. Kitesurfen nabij hoogwatervluchtplaatsen, het lopen op slikken waar dat niet is toegestaan en het rijden met crossmotoren op zeedijken,  leiden ertoe dat foeragerende en rustende vogels vaak massaal worden verjaagd. Lokaal is er ook kans op verstoring van zeehonden op ligplaatsen, wat negatief is voor de opgroei van de jongen.

Klimaatverandering en bodemdaling
Door klimaatveranderingen zal de zeespiegel tussen de 10 en 90 centimeter per eeuw stijgen. Verder wordt er ook nog eens substantieel meer neerslag verwacht, die bovendien onregelmatiger gaat vallen. Dit leidt weer tot grotere watergolven die op de rivieren en op de polders afkomen. Het deltagebied zal dus gebruikt worden om deze grote watermassa’s af te voeren. Het is nog onduidelijk wat deze grote zoetwaterstromen voor gevolgen hebben voor de zoute wateren. Door geologische processen vindt er tegelijkertijd in het westen van Nederland een bodemdaling plaats. Zeespiegel en bodemdaling leiden beide tot een groter verschil tussen het buitenwater en het land.