Close Menu

N04.03 Brak water

Verzoeting
Verzoeting is de grootste bedreiging voor brakke wateren, zowel in veen- als in kleigebieden. Door het afsluiten van de Zuiderzee, het Haringvliet en het Krammer-Volkerak zijn brakke plassen en smalle wateren sterk achteruitgegaan. Ook bedijking heeft bijgedragen aan de verzoeting: gebieden die via krekenstelsels met zeewater in verbinding stonden zijn door de aanleg van dijken van zee afgesloten en verzoet. 
Veel kenmerkende brakwatersoorten beginnen af te nemen als het chloridegehalte onder de 2500 mg/l daalt. Deze afname gaat sneller naarmate de chloridefluctuatie afneemt. Een constant chloridegehalte is in dit opzicht veel ongunstiger dan het optreden van grote wisselingen in het chloridegehalte. Als het chloridegehalte beneden de 1000 mg/l daalt, vestigen zich zoetwatersoorten en worden brakwatersoorten steeds zeldzamer. Daalt het chloridegehalte nog verder, met maxima rond de 300 mg Cl/l, dan kan het brakke water als 'verzoet' worden gekenmerkt. Brakwatersoorten kunnen in deze zeer licht brakke wateren nog wel als relict aanwezig zijn, maar een duurzame aanwezigheid is onzeker. In gebieden waar eutrofiëring een rol speelt, beginnen brakwatersoorten vaak al vanaf 2500 mg Cl/l te verdwijnen. 
Ook kleine hydrologische ingrepen zorgen voor verzoeting. Nog steeds worden brakke boezem- en poldergebieden met zoet water doorgespoeld om van het brakke water af te komen. Het omgekeerde peilbeheer dat in grote delen van Nederland wordt gevoerd, draagt bij aan een omgekeerd zoutverloop in wateren die brakke kwel ontvangen. Normaal zouden brakke wateren in de zomer door indamping zouter zijn dan in de winter. Bij een omgekeerd peilregime wordt er in de zomer juist zoet water ingelaten, terwijl het lage peil in de winter de kweldruk vanuit de dieper gelegen brakwaterlenzen vergroot.
 
Eutrofiëring
Eutrofiëring is een ander belangrijk probleem in brakke plassen. De aanwezige plantengroei is afhankelijk van helder water. Bij aanvoer van nutriënten gaan algen of kroossoorten overheersen. Hierdoor neemt de lichtinval af en verdwijnen ondergedoken waterplanten. Deze nutriënten kunnen aangevoerd worden met oppervlaktewater, door inspoeling vanuit landbouwgronden, en met het grondwater. Daarnaast kan atmosferische depositie een grote bijdrage leveren aan de stikstoftoevoer naar ondiepe, geïsoleerde brakke plassen. 
Door de hoge beschikbaarheid van fosfor zijn brakke wateren gevoeliger voor eutrofiëring dan zoete wateren en door een hoge stikstofdepositie worden de effecten van eutrofiëring vergroot. Daarbij kan in veengronden en moerige kleigronden ontwatering via greppels voor een aanzienlijke lokale aanvoer van nutriënten zorgen, met name stikstof en fosfaat.
Waar de productie van bagger en sapropelium (organisch rijk sediment dat onder anaerobe omstandigheden is gevormd) door eutrofiëring hoog is, treedt een grotere vertroebeling van het water op. Ondergedoken en op de bodem wortelende waterplanten kunnen hierdoor niet meer voldoende licht krijgen. Daarnaast verkleint een dikke sapropeliumlaag de mogelijkheid voor pioniersoorten van de ruppiaklasse om te kiemen.
 
Habitatvernietiging
Ook habitatvernietiging draagt bij aan de achteruitgang van brakke plassen in Nederland. Veel brakke wateren zijn verloren gegaan door dichtstorten, dempen en egaliseren bij bijvoorbeeld dijkverzwaringen.

Successie
Successie vormt een bedreiging voor pioniersituaties in kleine, ondiepe brakke plassen. Deze wateren groeien in de loop van de tijd doorgaans dicht met riet. Hoewel dit een natuurlijk verloop van de successie is, vormt het wel een bedreiging voor het voortbestaan van kleine brakke plassen, omdat er niet snel meer nieuwe ontstaan - enerzijds door de sterk afgenomen dynamiek, anderzijds omdat dergelijke plassen niet meer nodig zijn om het vee te laten drinken.
 
Exoten
De laatste decennia is het aantal exoten in brak water toegenomen. Over het algemeen gaat het om dieren die via het ballastwater van grote schepen in de zeehavens terechtgekomen zijn en zich daarna hebben verspreid. De impact van exoten op de inheemse fauna is divers en aanvankelijk vaak lastig te voorspellen. De brakwatermossel en het zuiderzeekrabbetje zijn van oorsprong exoten, maar gelden nu als kenmerkende soorten van onze brakke wateren. Van licht brakke wateren (< 1000 mg Cl/l) is echter bekend dat de tijgervlokreeft de inheemse vlokreeftsoorten grotendeels kan verdringen. 

Toxiciteit
De toxiciteit van chloride (zout) is van belang voor het behoud van levensgemeenschappen van brak water, door uitsluiting van soorten die niet tegen hoge en/of sterk wisselende concentraties kunnen. 
Andere ionen kunnen ook toxisch zijn: in brak water zit een hoge concentratie sulfaat, dat bij reductie omgezet wordt naar sulfide. Dit is toxisch voor planten en dieren. Sulfaatreductie treedt alleen op in aanwezigheid van organische stof. Eutrofiëring, met een hoge productie van dood organisch materiaal, kan leiden tot hogere sulfideconcentraties. 
Ook ammoniumconcentraties kunnen hoog oplopen. In wateren met een anaerobe bodem wordt de nitrificatie van ammonium, ontstaan bij de afbraak van organische stof, geremd. Bovendien is de binding van ammonium aan het sediment in brakke wateren erg laag. Ammonium is in hoge concentraties giftig voor planten. Ammonia, dat bij hoge pH ontstaat uit ammonium, is erg toxisch voor zowel planten als dieren.
 
Verdwijnen van dynamiek
De dynamiek, waardoor vroeger brakke plassen konden ontstaan, is verdwenen uit het zeeklei- en laagveenlandschap en het duin- en kustgebied. Afwezigheid van deze dynamiek leidt tot andere gradiënten, een andere periodiciteit in zoutgehalten en tot versnelde successie. Het zeekleilandschap is bedijkt en in het duingebied vormt de vastgelegde zeewering een barrière voor de vorming van nieuwe brakke wateren. Het behoud van gemeenschappen van brak water is hierdoor voornamelijk afhankelijk geworden van het behoud van bestaande brakke plassen. Vooral voor de associatie van snavelruppia, die het goed doet in pioniersituaties, wordt het voortbestaan bemoeilijkt door het ontbreken van nieuwe ondiepe brakke plassen. In brakke laagveengebieden is de dynamiek vooral verdwenen door de afsluiting van de Zuiderzee in 1932. In gebieden die indirect onder invloed staan van de zee, bijvoorbeeld door inlaat van zeewater via sluizen en kanalen, kan soms nog wel enige dynamiek in het zoutgehalte aanwezig zijn. 
 
Recreatie
Net als binnenwateren trekken grotere brakke plassen recreatie aan. Recreatie zorgt al snel voor vertroebeling van het water door opwerveling van slibdeeltjes. Vertroebeling veroorzaakt een slechter lichtklimaat voor ondergedoken waterplanten. Of recreatie een serieuze bedreiging voor een brakke plas vormt, verschilt per gebied.