Close Menu

N04.01 Kranswierwater

Achteruitgang door eutrofiëring
De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de Nederlandse kranswierwateren sinds de jaren ’50 is de toename van de externe fosfaatbelasting van oppervlaktewateren geweest. Bij lichte eutrofiëring worden kranswiervegetaties sneller weer door waterplanten verdrongen, vooral door soorten die veel licht weg kunnen vangen, zoals grof hoornblad, smalle waterpest of fonteinkruiden en op de zandgronden ook door de invasieve exoot watercrassula. In zeer voedselrijke wateren domineren eencellige algen of kroossoorten, waardoor er nauwelijks licht tot de bodem van het water doordringt en kranswieren niet meer kunnen groeien. In belangrijke kranswiergebieden als de Veluwerandmeren, de Wieden-Weerribben, de Utrechtse veengebieden en het Naardermeer zijn kranswiervegetaties in het verleden onder invloed van toename van de fosfaatbelasting sterk achteruitgegaan of geheel verdwenen. Recent treedt er lokaal herstel op.

Oorzaken van eutrofiëring en bestrijding
De slechte waterkwaliteit met veel fosfaat werd onder andere veroorzaakt door:

  • het ontbreken van rioolwaterzuivering;
  • het gebruik van fosfaten in wasmiddelen;
  • uit- en afspoeling uit landbouwgebieden;
  • verdroging van veengebieden, waarbij mineralisatie zorgt voor afbraak van het veen en het vrijkomen van voedingsstoffen (interne eutrofiëring);
  • de aanvoer van gebiedsvreemd oppervlaktewater.

Toelichting op het laatste punt: de landbouw heeft een hoog zomerwaterpeil nodig. Daarom wordt in een groot deel van Nederland een onnatuurlijk peilregime gehanteerd, met ’s zomers een hoger peil dan in de winter, en dat zorg voor aanvoer van oppervlaktewater uit de grote rivieren in kranswierwater. Dit oppervlaktewater is rijk aan sulfaat en bicarbonaat. Dat zijn stoffen die veenafbraak stimuleren, waarbij voedingsstoffen vrijkomen. Daarnaast wordt sulfaat onder zuurstofarme omstandigheden omgezet in sulfide, dat reageert met ijzer waardoor in de waterbodem aan ijzer gebonden fosfaat weer in het bodemwater terecht komt.

De zuivering van oppervlaktewater is de afgelopen decennia sterk verbeterd; zo zijn fosfaten in wasmiddelen in de ban gedaan. Inzicht in de effecten van de aanvoer van hard en sulfaatrijk water heeft er de laatste tien jaar toe geleid dat in veel natuurgebieden zoveel mogelijk gebiedseigen oppervlaktewater wordt vastgehouden, en dat er alleen tijdens extreme droogte nog gebiedsvreemd water wordt ingelaten.

Kleine wateren zijn gevoelig voor eutrofiëring. Zo kunnen grote grazers duinplassen of vennen bemesten als ze daarin langdurig verblijven. Duinplassen kunnen op dezelfde manier last hebben van watervogels als ganzen en meeuwen, vooral als die in groten getale aanwezig zijn. In kleinere wateren kunnen ook inwaaiende bladeren zorgen voor eutrofiëring.

Recreatie
Een andere belangrijke bedreiging voor kranswierwateren is de recreatievaart en beroepsvaart. Vooral de kleinere vaartuigen die de kranswierwateren kunnen bereiken, zorgen voor opwerveling van slib. Daardoor vertroebelt het water en krijgen de kranswieren te weinig licht, zodat ze verdwijnen. Ook wordt de vegetatie soms lokaal verwijderd om de bevaarbaarheid te vergroten. Dat kan leiden tot een grotere strijklengte van de wind, waardoor slib opwoelt en de helderheid van het water vermindert.

Verdwijnen van peildynamiek
Kranswieren profiteerden vroeger van een peildynamiek die grotendeels is verdwenen. Kranswieren verspreiden zich via oösporen die lang tegen droge omstandigheden kunnen. Vroeger kwamen kranswieren voor in wateren die incidenteel tot frequent uitdroogden vanwege dalend waterpeil, vooral in de laagveenwateren. Bij stijgend peil ontkiemden de oösporen van de kranswieren en vestigde zich een kranswiervegetatie. Doordat tegenwoordig, vooral in West-Nederland, het peil in de grote wateren tot op de centimeter geregeld is, wordt deze periodieke vestiging van kranswieren sterk geremd.

De oösporen zorgen ervoor dat kranswieren zich ook na jaren nog kunnen herstellen. In sommige wateren kan een peilverlaging de kieming van oösporen stimuleren, omdat daarmee licht en warmte tot de waterbodem doordringt.

Verzoeting en verzilting
Kranswierwateren komen voor over de hele reeks van zoete tot brakke wateren. Toch leidt zowel verzoeting als verzilting tot het verdwijnen van specifieke kranswiervegetaties die bij een bepaalde zoutconcentratie horen. Kenmerkend voor brakke wateren is vooral het sterk wisselende zoutgehalte. Hierdoor kunnen zich steeds andere plantensoorten vestigen en dit bevoordeelt pioniers als kranswieren. In brakke wateren op Texel en in Waterland staat de zeldzame Associatie van Brakwater-kransblad onder druk door verzoeting. Verbrakking kan in zoete wateren ook zorgen voor een verschuiving van soorten kranswieren. Brakke milieus zijn in Nederland echter zeldzaam geworden.

Verzuring
Op de zandgronden komen kranswieren vooral voor in ondiepe, zwak gebufferde poeltjes met een wisselende waterstand, in watertjes met een flinke grondwaterinvloed, in vennen met inlaat van gebufferd water en in pas opgeschoonde vennen. Het wegvallen van de invloed van gebufferd grond- of oppervlaktewater leidt vaak tot verzuring en het verdwijnen van kranswieren. Ook als de invloed van gebufferd water en de fosfaatbelasting boven de kritieke grens toeneemt, verdwijnen de kranswieren. Kranswieren kunnen zich in dit soort systemen vooral handhaven bij enige dynamiek, zoals droogval of periodiek troebel water. In veel pas opgeschoonde vennen verdwijnen kranswieren weer na enkele jaren.