Close Menu

Nat zandlandschap

Doorsnede

Dwarsdoorsnede van het Nat zandlandschap met ligging van beheertypen (klik op de pointers), hydrologie en gradiënten in het landschap.  © Oscar Langevoord / OBN (gebruik zonder toestemming niet toegestaan) 

Welk beheertype op een plek in het nat zandlandschap voorkomt, hangt allereerst af van het onderliggende geohydrologische systeem.

In het nat zandlandschap zijn gradiëntrijke situaties ontwikkeld op de overgang van ruggen naar laagten, waar de afvoer van water wordt geremd. De laagten worden in belangrijke mate gevoed door regenwater, maar er is vaak enige invloed van basenhoudend of koolstofhoudend grondwater. De basen stromen met het lokale grondwater toe uit rijkere sedimenten in de ondiepe ondergrond nabij de laagten. In het nat zandlandschap zijn overwegend lokale grondwatersystemen actief, die soms in interactie staan met basenrijk grondwater uit grotere regionale hydrologische systemen. De koolstofrijkdom hangt veelal samen met humusrijke horizonten in de ondergrond en met carbonaatrijke lagen, die in latere landschapsvormende perioden overdekt zijn geraakt met nieuwe sedimenten.

De afwisseling in grondwaterstanden en waterkwaliteit zijn terug te vinden in de vegetatie.  De verschillen tussen natte heide, vochtig heischraal grasland en nat schraalgrasland worden voor het grootste deel veroorzaakt door verschillen in grondwaterregime en de basenrijkdom van het grondwater (zuurbuffering). Die invloed van basenrijk grondwater is het sterkst in natte schraalgraslanden. Binnen de natte heide zijn de meeste doelsoorten aanwezig op leemrijke(re) bodems of op plaatsen met kwel van lokaal grondwater .

Het voorkomen en de soortensamenstelling van broekbossen, hoogveenbossen, vennen, trilvenen, veenmosrietlanden en hoogvenen worden eveneens gestuurd door de herkomst van het water (grondwater, regenwater, ingelaten oppervlaktewater). Die herkomst bepaalt niet alleen de grondwaterstanden, maar ook de basenrijkdom van het grondwater in de wortelzone. De basenrijkere zwakgebufferde vennen zijn bijvoorbeeld veel soortenrijker dan zure vennen. In hoogvenen bezitten planten en dieren speciale aanpassingen aan het extreem natte en zure milieu. De door basenrijk grondwater gevoede overgangen van hoogveen naar zandgronden zijn zelfs bijzonder soortenrijk.

Successie
De begroeiingen van het natte zandlandschap hebben ook in de tijd relaties met elkaar: zij veranderen in de loop van de natuurlijke successie en gaan daarbij van het ene type in een ander type over. Zo kunnen vennen, evenals sommige natte heiden met een zeer constante, hoge grondwaterstand, vroeg of laat overgaan in kleine hoogveentjes. In een natuurlijk functionerend systeem kan hoogveen op den duur - heel langzaam - in zijwaartse richting over de natte heide heen gaan groeien of het veenbos ‘oprollen' en uitgroeien tot een grootschalig hoogveenlandschap dat als zelfstandig hydrologisch systeem functioneert.  
Daarnaast speelt successie een rol in heischrale graslanden. Indien deze minder goed worden gemaaid of begraasd, veranderen ze in de richting van natte heide. Er vindt op den duur humusophoping en uitloging plaats.

Fauna in het landschap
Veel diersoorten gebruiken meerdere beheertypen in het Nat zandlandschap en van aangrenzende landschappen.  Dit betreft voornamelijk gewervelden en gevleugelde insecten, die mobiel genoeg zijn om zich over grotere afstanden binnen het landschap te verplaatsen. Zo broedt de kraanvogel in hoogveen, maar vindt zijn voedsel in het cultuurlandschap. Amfibieën als knoflookpad en heikikker zijn voor hun aquatische levensstadia afhankelijk van vennen, maar overwinteren in droge habitats hoger in het landschap.

Ook geleidelijke overgangen tussen de beheertypen van het Nat zandlandschap zijn hotspots van biodiversiteit. Dit is zeker het geval voor de goed ontwikkelde mantel- en zoomvegetaties langs vochtige bossen. Ze geven beschutting, voedsel en voortplantingshabitat voor zowel insecten (kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder, spiegeldikkopje, bijen, zweefvliegen) als kleine zoogdieren en reptielen.

Contactzones waar water van verschillende oorsprong en kwaliteit samenkomen vormen het leefgebied van verschillende kenmerkende soorten. Dit gebeurt bijvoorbeeld op de overgang van hoogvenen naar de omringende zandgronden waar afstromend regenwater uit het hoogveen in contact komt met mineralenrijker grondwater. Hier leven veel bedreigde soorten waaronder, veenbesparelmoervlinder, spiegeldikkopje, speerwaterjuffer, dwergjuffer, de dansmug Lasiodiamesa gracilis en de schietmot Hagenella clathrata. In vennen kan door lokale kwel en/of inlaat van gebufferd water een vergelijkbare gradiënt ontstaan, waarin planten als plat blaasjeskruid, veenbloembies en veenmosorchis een plek vinden en naast de hierboven genoemde soorten ook leefgebied kan ontstaan voor moerasvogels als de woudaapje en roerdomp.

In de inrichting en het beheer van het Nat zandlandschap is dan ook aandacht nodig voor de relaties met de omliggende landschappen, overgangen tussen beheertypen, interne gradiënten en de landschapsecologische processen die daaraan ten grondslag liggen.