Close Menu

Nat zandlandschap

Verdroging
Veel gebieden verliezen te veel water naar de omgeving en/of krijgen minder grondwater toegevoerd vanuit de omgeving. Alle ingrepen in de waterhuishouding (zie boven) hebben gezorgd voor een verlaging van de grondwaterstanden.

In de natte heiden heeft dat geleid tot een sterke vergassing van de heide met Pijpenstrootje en een sterke achteruitgang van kritische plantensoorten als beenbreek en meerdere soorten veenmossen en in vochtige heischrale graslanden van bijvoorbeeld klokjesgentiaan, liggende vleugeltjesbloem en meerdere orchideeënsoorten.

Door de verdroging liggen veel vennen niet meer ‘met hun buik' in het grondwater, treedt geen kwel van lokaal grondwater meer op en is de wegzijging sterk toegenomen. Daardoor vallen de vennen eerder droog, wat voor vennen met (beginnende) hoogveengroei funest is, maar treedt uiteindelijk ook verzuring en vermesting op waardoor soorten van zwak gebufferde wateren verdwijnen. Verdroging gaat immers vaak gepaard met een afname van de zuurbuffering en basenverzadiging en met vermesting vanwege een toename van voedingsstoffen door extra mineralisatie van organische stof.

Ook de bebossing van heiden, stuifzanden en venoevers heeft verdroging in de hand gewerkt, doordat dichte bossen, in het bijzonder van donker naaldhout, vergeleken met open zand en lage vegetatie meer verdampen. Dit heeft een negatieve invloed gehad op de vennen die vanuit deze infiltratiegebieden gevoed worden. Bijkomend effect is dat bomen meer stikstof uit de lucht invangen, dat uiteindelijk in het grondwater en de vennen terechtkomt. Ook kan er blad van het bos in de vennen waaien, wat leidt tot ophoping van organisch materiaal.

Alle Nederlandse hoogveenrestanten zijn in meer of mindere mate verdroogd omdat door vervening het restant hydrologisch niet meer als een hoogveen kan functioneren. Door de vervening en de verdroging die daarbij optreedt van de bovenste veenlaag verliest het veenrestant de hydrologische eigenschappen van een hoogveen. De hoogveengroei stopt en alleen op de laagste, natste plekken groeien nog veenmossen. Vergrassing met Pijpenstrootje, uitbreiding van heiden en opslag van berken nemen hand over hand toe.

Verzuring
Door verhoogde depositie van ammonium en sulfaat uit de lucht verzuurden met uitzondering van de hoogvenen alle onderdelen van het natte zandlandschap, met name (zeer) zwak gebufferde vennen, heiden en heischrale graslanden. Daarnaast kan verdroging verzuring in de hand werken, doordat de invloed van (iets) gebufferd grondwater afneemt. In veel natte zandlandschappen is de aanvoer van bufferende stoffen verminderd of zelfs gestopt door een verminderde of verdwenen toestroming van grondwater. Ook daar heeft de verzuring toegeslagen, vaak in combinatie met de ophoping van ammonium, waardoor planten- en diersoorten van iets minder zure situaties, zoals klokjesgentiaan en dus ook gentiaanblauwtje, verdwijnen.

Vermesting
Door verhoogde stikstofdepositie uit de lucht nemen enkele soorten sterk toe. In hoogvenen, vennen en heiden zijn dat vooral pijpenstrootje, knolrus en berk. Meststoffen als nitraat, ammonium en fosfaat kunnen ook via het grondwater toestromen waardoor de beschikbaarheid van voedingsstoffen voor de vegetatie toeneemt. Toevoer van sulfaat met het grond- en/of oppervlaktewater zorgt bij langdurige overstromingen tijdens het groeiseizoen voor toename van de mineralisatie van organische stof. De voedingsstoffen die daarbij vrijkomen, vooral fosfaat, zorgen eveneens voor vermesting van de vegetatie.

Verdroging van natte gebieden kan ook gepaard gaan met eutrofiëring. Het zorgt ervoor dat zuurstof dieper in de bodem kan doordringen, waardoor een versterkte mineralisatie van organisch materiaal optreedt, die leidt tot verhoging van de beschikbaarheid van voedingsstoffen. Dit probleem treedt bijvoorbeeld op in bodems met veel organische stof, zoals van natte heiden en hoogvenen.

Meer gedetailleerde informatie over bedreigingen en beheeropgaven wordt gegeven onder de diverse beheertypen.