Close Menu

Nat zandlandschap


© Horst Wolter / OBN

Typering
Het natte zandlandschap omvat de natte delen van het hoger gelegen deel van Nederland (met uitzondering van de beekdalen), ook aangeduid als de pleistocene zandgronden. Dit zandlandschap beslaat grote delen van het noorden, oosten en zuiden van Nederland. Bij het natte zandlandschap horen natte gebieden met zand- en veenbodems.

Natte zandlandschappen komen voor op relatief lage, vochtige tot zeer natte plekken die in en langs de randen van droge zandlandschappen liggen. Deze natte plekken in drogere omgeving kunnen op twee manieren tot stand komen:

  • plaatsen waar grondwater naartoe stroomt; dit grondwater bereikt het maaiveld of de wortelzone van de vegetatie.
  • plaatsen waar regenwater en lokaal grondwater blijft staan (stagneert) bovenop een waterkerende laag in de ondiepe ondergrond. In dat geval spreken we over een schijngrondwaterspiegel.

De droge gedeelten van de zandgebieden vormen het Droog zandlandschap. De beekdalen worden apart beschreven als Beekdallandschap.

Beheertypen
Beheertypen die in Nat zandlandschap voorkomen zijn:

Ontstaansgeschiedenis
Het nat zandlandschap vindt zijn oorsprong voornamelijk in de twee laatste ijstijden. In de voorlaatste ijstijd bereikten gletsjers ons land en ontstonden stuwallen en werd keileem gevormd. Aan de flanken van de stuwwallen werden veel smeltwaterafzettingen afgezet. Dat gebeurde opnieuw in de laatste ijstijd, toen Nederland tijdelijk onderdeel was van een poolwoestijn. Toen is ook het dekzand afgezet. Water en wind verplaatsten grof en fijn zand, leem en grind waardoor ruimtelijke verschillen in bodemsamenstelling ontstonden. De stromingsrichting van het water in de oppervlakkige afvoerstelsels van de poolwoestijn bepaalde de oriëntatie van de landschapsstructuren (hoogten en laagten), de afzettingen (sedimenten) en de verschillen in doorlatendheid in verschillende richtingen. Omdat tijdens de laatste ijstijd verschillende warmere perioden voorkwamen, traden wegslijting en afzetting van materiaal door water herhaaldelijk op. In die warmere perioden kon daarnaast veen worden gevormd, dat later de hydrologie weer beïnvloedde. Omdat afzetting van materiaal door water soms stopte en dan weer opnieuw begon, werden lagen van verschillende korrelgrootte afgezet. Daarom vertoont de ondergrond nu grote verschillen in doorlatendheid. Dit samenspel van wind, water en temperatuur is bepalend geweest voor veel van de huidige terreincondities. Deze uiteenlopende condities zijn de basis voor een brede schakering aan typen natuur.

In de afgelopen eeuwen en vooral in de negentiende en twintigste eeuw is de omvang van de natuur van natte zandlandschappen sterk afgenomen. Eerst door turfwinning en ontginning van uitgestrekte hoogvenen en heiden. Later door intensivering van het landgebruik voor de land- en bosbouw en de drinkwatervoorziening door drainage, beregening, waterwinning en extreem hoge mestgiften. Na de Tweede Wereldoorlog hebben ook “zure regen” en atmosferische stikstofdepositie gezorgd voor een sterke achteruitgang van de kwaliteiten van de resterende natuurgebieden in het natte zandlandschap.  Deze natuurgebieden zijn veelal geïsoleerde en uitgespaard bij vroegere ontginningen. Deze gebieden omvatten in de regel kleine oppervlakten hoogvenen,  natte heiden en vennen.