Close Menu

Laagveen en zeekleilandschap

Doorsnede

Dwarsdoorsnede van het Laagveen- en zeeklielandschap met ligging van beheertypen (klik op de pointers), hydrologie en gradiënten in het landschap.  © Oscar Langevoord / OBN (gebruik zonder toestemming niet toegestaan)

Dynamische natuur met abiotische gradiënten
Het landschapstype Laagveen en zeeklei bestaat van nature uit een dynamisch landschap dat gekarakteriseerd wordt door de aanwezigheid van abiotische gradiënten over korte en langere afstanden:

  • Peilfluctuaties: waterpeilen volgen het neerslag- en verdampingspatroon van de seizoenen;
  • Verlandings- en erosieprocessen: afwisselingen tussen enerzijds veenvorming via verlanding en anderzijds afkalving en erosie;
  • Zuur-basen-gradiënten, met bijvoorbeeld de volgende verschillen:
    • zure hoogveencomplexen en vennen op hydrologisch geïsoleerde locaties;
    • basenrijke laagveenvegetaties op kwellocaties en locaties die door basenrijk oppervlaktewater worden gevoed;
  • Gradiënten qua voedselrijkdom, met bijvoorbeeld de volgende verschillen:
    • Voedselarme, relatief geïsoleerde locaties;
    • voedselrijkere condities langs beekjes en rivieren;
  • Gradiënten qua watertype, met bijvoorbeeld de volgende verschillen:
    • door regenwater gedomineerde relatief geïsoleerde locaties;
    • door grondwater gevoede kwelgebieden
    • door oppervlaktewater gevoede locaties;
  • Zoet-zout-gradiënten: door voormalige zeedoorbraken en brakke kwel bevatten zoetwatersystemen langs de gehele kust brakke tot zoute oppervlaktewateren en venen.

Mensen hebben deze dynamiek proberen in te perken door ontwatering, afgravingen, inpoldering en het reguleren van waterstanden. De processen van veenvorming en verlanding zijn grotendeels afgeremd, terwijl in de waterhuishouding het oppervlakte- en regenwater steeds meer bepalend zijn geworden. De kwel, die van nature basenrijk en voedselarm is en de natuurgebieden van water voorzag, komt nu vooral in diepe polders terecht die in landbouwkundig gebruik zijn, terwijl de achtergebleven veengebieden als verhoogde 'eilanden' in het landschap liggen en gevoed worden door oppervlakte- en regenwater. De lager gelegen landbouwgebieden moeten hun 'bemeste' wateroverschot afvoeren via watersystemen die vaak ook in contact staan met de natuurgebieden.

Dit alles leidt ertoe dat de broodnodige abiotische gradiënten in Laagveen en zeeklei gedeeltelijk zijn verdwenen en dat er een meer homogene situatie van nutriëntrijkere condities met minder waterstandschommelingen is ontstaan. Daarnaast verdwijnen langzaam karakteristieke zoet-zout gradiënten langs de kust en treden er in redelijk wat laagveengebieden problemen op met de basenhuishouding.

Drie landschapsecologische elementen
In het landschapstype Laagveen en zeeklei kunnen drie landschapsecologische elementen worden onderscheiden:

-       Gedraineerd laagveenlandschap: veenweide

De veenweiden in Nederland worden al sinds de middeleeuwen ontwaterd, wat gepaard gaat met veenafbraak en bodemdaling. Sinds de zestiende eeuw is de ontwatering steeds efficiënter geworden, waardoor er nu een situatie bestaat waarbij mens en natuur sterk afhankelijk zijn van een voortdurende drainage.

-       Verveend laagveenlandschap: laagveenmoeras

In het verveende laagveenlandschap worden de landschapsecologische processen sinds de middeleeuwen gestuurd door een combinatie van menselijk ingrijpen en de natuurlijke successie van verlanding. Hierdoor is een mozaïek ontstaan van verschillende stadia van de verlandingsreeks: van ondergedoken waterplanten, krabbenscheervelden, drijftillen, biezen- en rietvegetaties, kraggen, rietlanden met bruinmos en veenmos en moerasstruweel tot aan broekbossen en hoogveen.

-       Zeeklei

Door een periode van langzame zeespiegelstijging in de middeleeuwen is in delen van Zeeland, Zuid-Holland, Friesland en Groningen een karakteristiek, kleinschalig zeekleipolderlandschap ontstaan. Dit is in de loop van de tijd met dijken, polders en droogmakerijen ingericht als gebied voor bewoning en landbouw. De grootschalige open gebieden in dit zeekleilandschap vormen een belangrijk broedgebied voor weidevogels en foerageergebied voor overwinterende ganzen en eenden. De invloed van de zee zorgt voor kreekresten, inlagen en karrevelden. Naast dit oude zeekleilandschap zijn er in de eerste eeuw van de twintigste eeuw nieuwe zeekleilandschappen aangelegd, zoals de Noordoostpolder en de Flevopolder.

Fauna in het landschap
Broedende watervogels als ganzen en eenden maken optimaal gebruik van de verschillende elementen van het landschapstype Laagveen en zeeklei. Het laagveengebied met zijn moerassen en plassen is voor ganzen een veilig rustgebied, terwijl de veenweiden en de zeekleigebieden hoogwaardig gras leveren. Rietzones zijn belangrijk voor overwinterende ganzen en eenden en voor moerasvogels. Tijdens de ruiperiode foerageren ganzen in rietzones aan de oevers van plassen, poelen en wielen. Brede rietzones om open water zijn belangrijk als broedgebied en rustgebied voor moerasvogels als de roerdomp of grote karekiet, die foerageren op het open water. Grootschalige vraat door ganzen kan ervoor zorgen dat rietvegetaties veranderen in open waterplassen.

Veel van de veenweiden en weiden in zeekleigebieden zijn weidevogelgraslanden. Deze graslanden zijn van grote betekenis voor weidevogels vanwege hoge peilen, late maaiperiode, lage predatiedruk, rust en de nodige bemesting. Het beheer is tegenwoordig echter intensiever geworden met meer bemesting, bekalking, scheuren van de grasmat en het inzaaien van cultuurgrassen als mais en Engels raaigras. Daardoor zijn deze weiden botanisch gezien minder interessant geworden en neemt het aantal weidevogels af. Graslanden kunnen dienen als foerageerplek voor de adulten, foerageerplek voor de jongen of als broedgebied, afhankelijk van de soort en karakteristieken van het grasland met betrekking tot voedselrijkdom, vochtigheid en vegetatiestructuur.

De interacties tussen soorten kunnen sterk sturend zijn in intacte laagveenmoerassen. Zo is de groene glazenmaker voor haar voortplanting strikt gebonden aan de plant krabbenscheer. Vergelijkbaar is de relatie tussen de bittervoorn en zoetwatermossels. Bittervoorns leggen tussen april en juni hun eieren in de kieuwholte van schildermossels en zwanenmossels, waarna het mannetje zijn hom bij de instroomopening van de mossel loslaat