Close Menu

Laagveen en zeekleilandschap

Succes van maatregelen hangt sterk af van landschapsecologie
Omdat de natuur in het landschapstype Laagveen en zeeklei onderhevig is aan een complexe dynamiek van abiotische processen en gradiënten die door menselijk ingrijpen is ingeperkt, is het voor een duurzaam herstel van die natuur noodzakelijk om inrichtings- en herstelmaatregelen op landschapsschaal te organiseren.

Maatregelen die in laagveengebieden wel werken, kunnen in zeekleigebieden averechts werken, en vice versa. Bij herstel en inrichting van het landschap zal dan ook rekening gehouden moeten worden of een natuurgebied in een gedraineerd laagveenlandschap, een verveend laagveen landschap of een zeekleilandschap ligt. Op basis van een ecohydrologische systeemanalyse kan bepaald worden welke landschappelijke inrichtings- en herstelmaatregelen effectief lijken te zijn. Aangezien eutrofiëring en verzuring meestal belangrijke knelpunten vormen, is het daarbij veelal zeer nuttig om een water- en stoffenbalans op te stellen:

  1. waterbalans - ecohydrologische systeemanalyse met nadruk op:
    1. processen die de grondwaterstanden in natuurterreinen beïnvloeden;
    2. de fractieverdeling van hydrologische aanvoerbronnen, zodat inzichtelijk kan worden gemaakt waar het water in een natuurgebied vandaan komt. Zo kan er onderscheid gemaakt worden tussen kwelwater, regenwater, instroom vanuit rivieren, schutverliezen en instroom vanuit polders.
  2. stoffenbalans - waarbij specifiek gekeken moet worden naar:
    1. Nutriënten- en basenlast als gevolg van waterstromen (gebaseerd op de waterbalans) en atmosferisch depositie, maar ook vogeluitwerpselen kunnen daarbij een rol spelen;
    2. externe en interne eutrofiëring;
    3. omzettingen in bodemprocessen onder invloed van basen en zuren.

Lees meer over natuurherstel in plassen en meren in:

Ecologische Sleutelfactoren voor watersysteem
Er zijn diverse methoden om een ecohydrologische systeemanalyse te doen, waarmee inrichtings- en beheermaatregelen kunnen worden vastgesteld. Voor watersystemen werken waterschappen veel met het systeem van de Ecologische Sleutelfactoren, dat door STOWA is ontwikkeld. Hierin worden voor stilstaande tot langzaam stromende wateren, waarvan meestal sprake is in het laagveen- en zeekleilandschap, negen ecologische sleutelfactoren opgedeeld in vier groepen:

  • Ecologische sleutelfactoren voor ondergedoken waterplanten:
    • productiviteit water;
    • lichtklimaat;
    • productiviteit bodem.
  • Ecologische sleutelfactoren voor gewenste soorten:
    • habitatgeschiktheid;
    • verspreiding;
    • verwijdering.
  • Ecologische sleutelfactoren voor specifieke situaties:
    • organische belasting;
    • toxiciteit van gebiedsvreemde stoffen.
  • Ecologische sleutelfactoren die de omgeving stelt:
    • beleving.

Begin met terugdringen van bemestingseffecten
Bemesting van veenweiden kan problemen opleveren voor natuurtypen in het landschapstype Laagveen- en zeeklei. Het zorgt voor eutrofiëring via uit- en afspoeling van meststoffen naar grond- en oppervlaktewater. Daarnaast leidt het tot versnelde veenafbraak in het veenweidegebied. Bemesting kan herstelmaatregelen voor de waterkwaliteit en het slotenstelsel teniet doen. Het terugdringen van bemesting is dan ook een belangrijke randvoorwaarde voor natuurherstel.

De hoge mestproductie leidt niet alleen tot eutrofiëring van watersystemen, maar is ook verantwoordelijk voor een groot deel van de atmosferische stikstofdepositie in Nederland. Het terugdringen van bemesting zal dan ook sterk bijdragen aan het verminderen van atmosferische stikstofdepositie.

Alternatief peilbeheer
Bij het gangbare peilbeheer worden vaste waterpeilen gehanteerd, die alleen tussen zomer en winter verschillen. Dit kan veel negatieve gevolgen hebben voor de natuur. Afhankelijk van het gevoerde peilbeheer kan dit leiden tot verdroging, eutrofiëring en aanvoer van gebiedsvreemd sulfaatrijk water. Daarnaast wordt de natuurlijke dynamiek verminderd. Daarom zijn verschillenmde alternatieven geprobeerd, met voor- en nadelen.

1.    'Functie volgt peil'
In de afgelopen decennia is onder het motto 'functie volgt peil' gewerkt aan een alternatieve inrichting van de waterhuishouding van het landschapstype Laagveen en zeeklei. Hierbij is het grondwaterpeil sturend voor de functie. Dit betekent dat de landbouw vooral in drogere gebieden kansen heeft, met lagere winterpeilen en hogere zomerpeilen. Voor natuur en recreatie liggen mogelijkheden vooral in de nattere gebieden, waar een hoger en meer natuurlijk fluctuerend waterpeil kan worden aangehouden.

In de praktijk ligt de herinrichting van landbouw- en natuurgebieden echter meestal lastig. Daarnaast heeft 'functie volgt peil' ook tot gevolg dat natte natuurgebieden als watereilanden met hoge waterpeilen naast landbouwgebieden liggen met lagere waterpeilen. Dit leidt tot wegzijging in de natuurgebieden en kan tot ongewenste nutriëntenaanvoer leiden als het overtollige water in de polders moet worden afgevoerd via het natuurgebied.

2.    Flexibel peilbeheer
Bij flexibel peil wordt er pas water ingelaten als het waterpeil zakt onder een bepaald minimum en er wordt pas water uitgepompt als een bepaald maximum wordt overschreden. Het voordeel is dat er meer regen- en/of kwelwater wordt vastgehouden en minder of geen gebiedsvreemd oppervlaktewater hoeft te worden ingelaten. Als de waterkwaliteit in het natuurgebied beter is dan daarbuiten, leidt dit tot een verbeterde waterkwaliteit in het natuurgebied. De grotere hydrologische isolatie zorgt er dan voor dat fosfaatrijk of anderszins vervuild oppervlaktewater meer wordt verdund. Verder kan het droogvallen van ondiepe delen van sloten en de opwarming van het water zorgen voor de ontwikkeling van oeverplanten en biedt dit paaimogelijkheden voor vissoorten als snoek, karper, blankvoorn, ruisvoorn, brasem en zeelt.

Er zijn ook nadelen. In natuurgebieden die voor hun basenhuishouding afhankelijk zijn van inlaatwater, kan een vergaande hydrologisch isolatie als gevolg van een flexibeler peilbeheer in potentie leiden tot een ongewenste afname van de basenaanvoer. Vooral in natuurgebieden met trilvenen en blauwgraslanden dient hier rekening mee te worden gehouden. Daarnaast zijn te ver uitzakkende peilen in het groeiseizoen vaak zeer ongunstig voor semi-terrestrische habitattypen als trilvenen en veenmosrietlanden, omdat ze tot ongewenste verdroging leiden.

Flexibel peilbeheer is niet in alle situaties mogelijk. Als er inlaatwater nodig is om het hoge peil te handhaven, kan er een 'natte verbranding' van het veen optreden onder invloed van sulfaat en nitraat. In verzoete brakwatervenen als Waterland zijn concentraties van sulfaat, fosfaat en sulfide zo hoog dat flexibel peilbeheer niet tot een betere waterkwaliteit leidt. Ook is het de vraag of al het water in de winter vastgehouden kan worden in de natuurgebieden zelf, zonder externe retentiebekkens die mogelijk weer gebiedsvreemde nutriënten en vervuiling met zich mee kunnen brengen.

3.    Dynamisch peilbeheer
Waterschappen werken ook met dynamisch peilbeheer, waarmee wordt geanticipeerd op regen of droogte. Dit levert geen directe ecologische winst op, maar zorgt wel voor meer dynamiek in het watersysteem.

Lees meer over peilbeheer in de OBN-rapporten Peilfluctuaties in het laagveenlandschap: relaties tussen hydrologie, ecosysteem-dynamiek en Natura 2000-habitattypen en Een meer natuurlijk peilbeheer: relaties tussen geohydrologie, ecosysteem-dynamiek en Natura 2000.

Haarvatenstelsel is een broedplaats voor biodiversiteit
In het algemeen kunnen herstelmaatregelen van de haarvatenstelsels van kleine sloten en petgaten vaak hogere natuurwaarden opleveren dan maatregelen in grotere wateren. Zulke haarvatenstelsels zijn belangrijke reservoirs met restpopulaties van karakteristieke planten, en waarschijnlijk ook voor fauna en sieralgen. Het zijn wateren die het verst zijn verwijderd van aanvoerpunten van gebiedsvreemd water of van grote oppervlaktewateren. Bij herstel kan hier een hoger ambitieniveau worden gekozen. Bij grote ondiepe plassen in het laagveenlandschap is ecologisch herstel minder makkelijk, maar zijn de ecologische consequenties wel groter als het lukt omdat dan in één keer een groter oppervlak wordt verbeterd.

Herintroductie van soorten mogelijk bij versnippering
Herstel van de abiotische randvoorwaarden betekent niet automatisch dat doelsoorten ook terugkeren. Versnippering en dispersieproblemen vormen hierbij vaak een grote belemmering. Dit geldt zowel voor flora als voor fauna en mogelijk ook voor planktonsoorten als sieralgen. Zowel de grootte van bronpopulaties, de grootte van doelgebied, de afstand tussen beide, de factor tijd en het karakter van zaad, sporen of delen van planten spelen hierbij een belangrijke rol. Herintroductie van gewenste planten- en diersoorten behoort daarom tot de mogelijkheden voor herstelbeheer. Het is bij herstelprojecten dan ook essentieel om rekening te houden met al dan niet ontbrekende populaties van doelsoorten en met de problemen die populaties hebben met verspreiding. 

Graven van petgaten stimuleert verlanding
Het graven van nieuwe of het herstel van oude petgaten kan zorgen voor een nieuwe start van de verlanding die de biodiversiteit in laagveensystemen verhoogt. Dit kost echter decennia, waarbij de condities goed moeten zijn. Een deel van de nieuwe petgaten die zijn gegraven sinds het einde van de jaren tachtig, heeft zich nog niet op de gewenste manier ontwikkeld. In sommige zijn vegetaties van kranswieren en krabbenscheer ontstaan en komt een verlanding op gang, bij andere juist niet. Het is aan te raden om voor het graven van de petgaten eerst te inventariseren welke locaties geschikt zijn, op basis van abiotische eigenschappen van het gebied. Het maken van kleine compartimenten, glooiende oevers en verbindingen tussen de petgaten kan de ontwikkeling van interessante vegetaties versterken.

Lees meer in het OBN-rapport Verlanding in laagveenpetgaten.