Close Menu

Laagveen en zeekleilandschap

Natuurlijke successie verdringt dynamiek
Karakteristiek voor het landschapstype Laagveen en zeeklei is de dynamiek in het landschap, waarbij successieprocessen van veenvorming en verlanding bepalend zijn voor de biodiversiteit [LINK: Landschapsecologische processen]. Veranderingen in het landgebruik, achterstallig beheer, wijzigingen in de hydrologische condities, een te grote voedselrijkdom en stikstofdepositie hebben er echter voor gezorgd dat:

  • de soortenrijkdom in verschillende leefgebieden is afgenomen;
  • de jonge successiestadia van trilveenverlanding nog op slechts enkele plekken worden waargenomen;
  • de natuurlijke successie van verschillende natuurtypen versneld is, waardoor minder soortenrijke leefgebieden, zoals veenbossen en struweel, de overhand krijgen boven de historisch belangrijke veenvorming en verlanding.

Terwijl de verlandingssuccessie in grote delen van het Nederlandse laagveen- en zeekleilandschap moeilijk op gang komt, als gevolg van eutrofiëring en toxiciteit van sulfide en ammonium, gaat de successie van de huidige vegetatie steeds verder door. Dit natuurlijke successieproces wordt in veel gebieden nog eens versneld door processen van verdroging, verzuring en/of eutrofiëring. Dit zorgt voor verdringing van relatief jonge, soortenrijke en basenrijke verlandingsvegetaties als trilvenen, blauwgraslanden en jonge veenmosrietlanden. Verlandingsvegetaties op kraggen en drijftillen zijn zeldzaam geworden. Versnippering is ook een reden voor het uitblijven van verlanding, omdat dit de verspreiding van soorten tegenhoudt. 

Hydrologie is minder dynamisch geworden
Nabij beekjes en rivieren, en op de overgang van hoger gelegen minerale gronden naar veengebieden, was er van nature sprake van een constante of periodieke aanvoer van mineraalrijk water uit de omgeving via het grond- en/of oppervlaktewater. Deze natuurlijke situatie is veranderd door de compartimentering van het landschap met polders, droogmakerijen, boezems en een intensief sloten- en greppelstelsel. De natuurgebieden liggen nu vaak als verhoogde eilanden in een landschap van polders en droogmakerijen, terwijl deze gebieden in het verleden juist de laagste locaties in het landschap waren. In die eilanden kan vrijwel geen kwel van grondwater meer optreden en is vrijwel overal sprake van wegzijging.

Verdroging en verzuring door een toename van de wegzijging
Verdroging is één van de grootste landschapsecologische knelpunten in het landschapstype Laagveen en zeeklei. De relatie tussen kwel- en oppervlaktewater is één van de bepalende processen. Deze processen zijn nog belangrijker geworden door grondwateronttrekkingen, de daling van grondwaterstanden in gebieden die om de natuurgebieden liggen en het inklinken van landbouwgrond in de twintigste eeuw. Hierdoor daalde de grondwaterdruk in veel natuurgebieden, en daardoor nam in veel laagveengebieden de wegzijging toe en de kwel af. Dit leidde tot minder aanvoer van grondwater, wat uiteindelijk kan leiden tot ongewenste verdroging.

Verzuring door verdroging
De verlaagde grondwaterstanden in het laagveen- en zeekleilandschap leiden niet alleen tot verdroging, maar kan ook tot verzuring leiden. Deze – door mensen veroorzaakte – verzuring vormt een groot ecologisch probleem in grote delen van het Nederlandse laagveengebied, omdat het de successie versnelt terwijl er anderzijds weinig verjonging optreedt. Door de droge zuurstofrijke condities kunnen oxiderende processen de overhand krijgen, waarbij met name in zwavel- en ijzerrijke gebieden veel zuur geproduceerd kan worden. De verzuring kan vooral optreden in gebieden die te weinig gevoed worden door basenrijk grond- of oppervlaktewaterwater. In kleigebieden speelt deze verzuring een beperktere rol, omdat de meeste Nederlandse kleigebieden erg kalkrijk zijn.

Atmosferische depositie
Ondanks dat de atmosferische stikstofdepositie gedaald is ten opzichte van de jaren tachtig van de vorige eeuw, blijft de depositie een probleem vormen voor verschillende vegetatietypen in het laagveen- en zeekleilandschap. In veel stikstof-gelimiteerde veenmosrietlanden, moerasheiden en veenbossen kan atmosferische stikstofdepositie tot vergrassing en verruiging leiden. Daarnaast leidt stikstofdepositie in verscheidene vegetatietypen tot ongewenste extra verzuring en kan atmosferische depositie tot verhoogde toxische ammoniumconcentraties in de bodem leiden.

Interne eutrofiëring door chemische omzettingen
Naast de externe belasting van nutriënten, kan ook zogenoemde 'interne eutrofiëring' tot problemen leiden in het laagveen- en zeekleilandschap. Dit gebeurt vooral bij aanvoer van sulfaatrijk water. Sulfaat kan in gebiedsvreemd inlaatwater zitten, maar op veel locaties zijn ook de sulfaatconcentraties in het grondwater toegenomen. Bodembacteriën benutten het sulfaat bij de afbraak van organisch materiaal onder zuurstofarme omstandigheden. Daarbij komen waterstofsulfiden vrij. Die sulfiden hechten sterker aan het ijzer in de bodem dan fosfaat, zodat het fosfaat vrijkomt in de bodem en het water. Als er onvoldoende ijzer aanwezig is, kan de sulfideconcentratie in het water zodanig oplopen dat die giftig wordt voor planten en dieren.

Maaibeheer beïnvloedt bodemstructuur
Er zijn aanwijzingen dat het huidige maaibeheer met maaimachines of tractoren een grote negatieve impact heeft op jongere vegetatietypen met een vrij dunne bodem. Dit type maaibeheer is nodig om verbossing tegen te gaan, maar zorgt er tegelijkertijd voor dat de bodem waarschijnlijk compacter en steviger wordt, wat op den duur kan leiden tot minder aanvoer van basenrijk water, verdroging en verzuring.