Close Menu

Heuvellandschap

Doorsnede

Dwarsdoorsnede van het Heuvellandschap met ligging van beheertypen (klik op de pointers), hydrologie en gradiënten in het landschap.  © Oscar Langevoord / OBN (gebruik zonder toestemming niet toegestaan)

Het Heuvellandschap bestaat uit plateaus die omgeven worden door steile hellingen en doorsneden of begrensd worden door de Maas en de beken Geul, Gulp, Jeker, Geleenbeek en Worm. De beekdalen en hellingen bevatten vanwege hun reliëf, geologische samenstelling en waterhuishouding belangrijke natuurwaarden. Op de hoogste delen, de plateaus met lössbodems, bevinden zich nu vrijwel altijd intensief gebruikte landbouwgronden.

De ondergrond is sterk bepalend voor de vegetatie in de hellingen en beekdalen, omdat daar het moedergesteente door erosie dagzoomt of dicht aan het oppervlak komt. Op basis van de ondergrond kunnen in het Heuvellandschap drie gradiënten worden onderscheiden:

  • Beekdalen: De beekdalen zijn over de hele lengte rijk aan mineralen als calcium, kalium en magnesium (en soms ijzer), in de bodem en het grondwater.
  • Kalkhellingen: In het zuidelijke deel van het Heuvelland ligt het kalksteen dicht aan de oppervlakte, omdat de löss- en grindafzettingen relatief dun zijn. In steilranden dagzoomt het kalksteen, op hellingen is het afgedekt door een dunne laag kalkverweringsgronden en hogerop de hellingen komen lokaal terrasgronden voor.
  • Hellingen zonder invloed van kalk:
    • In het lössgebied dat meer noordelijk ligt, wordt het kalksteen afgedekt door dikke pakketten löss, terrasafzettingen en tertiaire afzettingen. De invloed van kalksteen is hier daarom minimaal. De hellingen zijn afgedekt door grindhoudend materiaal. De tertiaire afzettingen variëren sterk in textuur en waterdoorlatendheid, met grote gevolgen voor de hydrologie. Op lagen die weinig water doorlaten stroomt grondwater uit en zijn er bronnen, hellingmoerassen en kalkmoerassen.
    • Het vuursteeneluviumgebied heeft een sterk afwijkend karakter. In de hoogste delen in het zuidoosthoek van het Heuvellandschap wordt de bodem bepaald door dagzomend vuursteeneluvium, een sterk verzuurde en uitgeloogde, vuursteenrijke verweringsklei van siliciumrijke kalksteen. Hier zijn ook veel kalkmoerassen te vinden.

Beekdalen
Waar de ondergrond slecht doorlatend is, ontspringen bronbeken die afwateren op de Geul, de Gulp, de Geleenbeek en de Maas. De grote beekdalen vormen met het Maasdal grotendeels het reliëf van het Heuvellandschap. Door de diepe insnijding van de beken en voorts door normalisatie van de beeklopen zijn de grote beekdalen in de loop van de tijd sterk verdroogd. De beken worden voor een deel gevoed door een buiten ons land gelegen stroomgebied, zoals de Geul en Gulp, en binnen Limburg door in dalen uitmondende kleine beken, bronbeken, kwelzones en freatische water.

Binnen de Zuid-Limburgse beekdalen kan een onderscheid gemaakt worden tussen:

  • Bronnen en bronbeken; worden door grondwater bepaald en zijn gebonden aan plateaus en terrashellingen. Hierin komen kwelzones, bronnen en bronbeken voor.
  • Kleine beekdalen zijn diep in het plateau ingesneden landschapsvormen met een vrij steil verhang die zelf dalwanden en plateauranden vormen. Hierin komen kleine beeklopen, droge dalbodems, natte, komvormige laagten en moerige laagten voor.
  • Grote beekdalen zijn min of diep ingesneden in het landschap, waarin diverse geologische formaties worden aangesneden. Deze bestaan uit grote beeklopen, genormaliseerde beeklopen, kalkrijke oeverwallen en hoger dalvlakten, kommen zonder en met kwel, bronnen en natte dalvormige laagten.

De beekdalen zijn in de loop van de tijd ingesneden in de plateaus, en daarbij werd die ondergrond zichtbaar en invloedrijk. Daar waar oude Maasafzettingen met grint dagzomen aan de rand van steilranden ontstaat een gradiënt van maasgrind naar kalkgesteente, waarop een overgang van kiezelkopgraslanden, heischrale graslanden en kalkgraslanden voorkomt. Waar kalksteenafzettingen dagzomen worden kalkgraslanden aangetroffen en op kale rots pionierbegroeiingen op rotsbodem. Beide graslanden vallen onder het beheertype Droog schraalland.

Op de lagere, minder steile delen van de helling kan een colluviumdek (bodemmateriaal dat door bodemerosie van een helling is afgespoeld en dat zich aan de voet van de helling heeft geaccumuleerd, bestaand uit löss maar ook ondoorlatend materiaal) zijn afgezet. De bodem is hier vochtiger en daardoor geschikt voor graslanden van het beheertype Vochtige schraallanden, zoals glanshaver- en vossenstaarthooilanden. Op begraasde plaatsen kan het beheertype Kruiden – en faunarijk grasland voorkomen, in de vorm van kamgrasweiden.

Kalkmoerassen
Kalkmoerassen komen voor op plekken waar kwelwater of bronnen zorgen dat water met zeer veel calcium en bicarbonaat in de wortelzone komt; bij kalktufbronnen is die zone zelfs oververzadigd, zodat met uittreden kalk neerslaat. Kalkmoerassen behoren tot het beheertype Nat schraalland, maar zijn afhankelijk van veelal kleinschalige gradiënten naar zuurdere, drogere en voedselarme standplaatsen. Het zwaartepunt in het voorkomen van hellingmoerassen ligt in Zuid-Limburg rond het Plateau van Vaals en in het Boven-Geleenbeekdal, stroomopwaarts van Nuth.

Het belangrijkste sturende proces voor de instandhouding van deze hellingmoerassen is het constant en over een breed front diffuus uitreden van schoon grondwater, zonder verrijking met nitraat of fosfaat. Voor kalkmoerassen – en alle hellingmoerassen – moet het watervoerend pakket waaruit het hellingmoeras wordt gevoed bestaan uit goed doorlatende afzettingen om voldoende constante toevoer te garanderen.

Hellingschraallanden
Op de hellingen in het Heuvellandschap groeien nu bossen en graslanden. Op de droge hellingen met dagzomerend kalkgesteente (de kalkhellingen) is doorgaans een opeenvolging in plantengemeenschappen te vinden die de successie van grasland naar bos volgt. De ligging hiervan is echter bepaald door eeuwenlang menselijk gebruik, zoals begrazing. Het resultaat van deze successie is grotendeels afhankelijk van het moedergesteente. In de graslanden is een complex van zure tot kalkrijke graslanden aanwezig die samen hellingschraallanden worden genoemd. Veel van het oorspronkelijke hellingschraalland is na het wegvallen van het historische gebruik dichtgegroeid met struweel en bos.

Binnen het hellingschraalland is van hoog naar laag vaak een vaste opeenvolging van beheertypen te onderscheiden, die aansluit bij de beekdalen. In de hogere delen van hoog naar laag kiezelkopgraslanden, heischrale graslanden en kalkgrasland (beheertype Droog schraalland). Op het lager gelegen colliviumdek groeien graslanden van het beheertype Nat schraallanden, zoals glanshaver- en vossenstaarthooilanden.

Hellingbossen
De hellingen die van oudsher begroeid waren met bos werden vrijwel allemaal beheerd als middenbos, met zowel hakhout als overstaanders. De bossen werden eveneens gebruikt als weidegrond voor schapen en runderen. Mede dankzij dit intensieve gebruik waren de Zuid-Limburgse hellingbossen opvallend rijk aan bijzondere planten- en diersoorten. Ook nu nog zijn de hellingbossen hotspots voor bossoorten van bosranden en kapvlakten, vooral – de nu zeldzame – soorten die kalkrijke bodems nodig hebben. Met het verdwijnen van het historische beheer groeide het hakhout uit tot een opgaand en gesloten bos. Hierdoor raakte de bodem permanent overschaduwd en hoopte vooral op hoog op zure hellingen zich strooisel en humus op. Veel van de karakteristieke kruiden, struiken en diersoorten zijn sindsdien geleidelijk achteruitgegaan en (zeer) zeldzaam geworden.

In de hellingbossen overheersen vegetaties van het beheertype Haagbeuken- en essenbos met een grote variatie aan ondergroei. Zo groeit eiken-haagbeukenbos op plekken waar kalkgesteente dagzomert met orchideeën, in droogdalen of grubben met stijve naaldvaren, op vochtig colluviaal materiaal met daslook en op steile, voedselrijkere noordhellingen met smalle stekelvaren.

Fauna in het landschap
Een groot aantal diersoorten, waaronder sprinkhanen, vlinders, bijen, zweefvliegen, kevers, reptielen en amfibieën, maken in het Heuvellandschap gebruik van de grote diversiteit aan (a)biotische omstandigheden die op korte afstand van elkaar te vinden is in hellingschraallanden. Bij koud weer kunnen dieren opwarmen op kale schapenpaadjes, ijle kalkgraslanden of kiezelkoppen, terwijl dieren bij extreem warm weer kunnen schuilen op de plekjes met hogere vegetatie of de rijkere graslanden onderaan de helling en de bosranden. De levendbarende hagedis, gladde slang en hazelworm belangrijke soorten van het hellingschraalland die gebruik maken van de variatie in microklimaat. Eikelmuizen leven voornamelijk in een glooiend landschap met structuurrijke loofbossen van het liefst eiken, maar ze gebruiken ook boomgaarden, struikgewas, hagen, tuinen, rotsen, muren en gebouwen.

Daarnaast zijn diverse diersoorten die voor het voltooien van hun levenscyclus afhankelijk zijn van meer dan één zone binnen een hellingschraalland. De vroedmeesterpad en de geelbuikvuurpad gebruiken de hellingschraallanden als landhabitat en zijn daarnaast gebonden aan poelen of beken voor hun voortplanting. Voor diverse soorten zweefvliegen en vlinders is juist de combinatie van hellingbos, mantels en zomen en warm, bloemrijk grasland essentieel voor het voltooien van de levenscyclus. De grauwe klauwier is één van de toppredatoren van het hellingschraalland en gebruikt zowel de schrale graslanden om in te foerageren als de struiken om in te nestelen en als uitkijkpost.

Veel dieren maken ook gebruik van de overgang van bos naar grasland. Zo komt de hazelmuis uitsluitend voor in Zuid-Limburg, waar hij een voorkeur heeft voor dicht struweel met bramen, hazelaar, adelaarsvaren en kamperfoelie op de overgang van bos naar grasland. De hellingbossen waren vroeger ook rijk aan dagvlinders, maar veel soorten daarvan zijn nu zeer zeldzaam of zelfs verdwenen. Deze vlinders leven echter niet in gesloten, opgaand bos, maar juist op zonnige open plekken in halfopen bos en langs ruige, grazige bosranden. Lijnvormige, verbindende landschapselementen, zoals heggen, houtwallen, holle wegen en bosranden zijn daarnaast van groot belang voor de oriëntatie van vleermuizen tijdens het foerageren.