Close Menu

Heuvellandschap

Inspoeling van hogere plateaus, eutrofiëring en verruiging
In het Heuvellandschap liggen bijna alle natuurgebieden op hellingen en worden die negatief beïnvloed door de toestroom van voedselrijk water en sediment vanaf de landbouwpercelen op de plateaus. Hierdoor treedt verruiging van de vegetatie op. In combinatie met de stikstofdepositie en vervuild (grond)water zorgt dit voor een afname van karakteristieke plantensoorten van de hellingschraallanden en hellingbossen, die juist van voedselarme omstandigheden profiteren.

De afvoer van erosiemateriaal vanaf de plateaus vindt vaak in geconcentreerde vorm plaats, eerst via laagtes in het maaiveld die deels ook afhangen van de grondbewerking en vervolgens via paden, grubben en wegen. Bij ernstige vormen van versnelde erosie kunnen kwalificerende groeiplaatsen fysiek verdwijnen, niet alleen door erosie zelf maar ook doordat voedselrijk sediment laagten opvult en bronnen en bovenloopjes onderdeel worden van erosiebanen.

Harde grenzen verergeren erosie
De grenzen tussen bijvoorbeeld landbouw en natuur, maar ook die tussen hellingbossen en hellingraslanden of tussen verschillende beheertypen, liggen tegenwoordig vast en zijn meestal hard. Op de grens van landbouwgebied naar natuurgebied wordt erosie door verschillende terreinkenmerken beïnvloed en gestuurd: landgebruik, ligging en geomorfologische aard van de plateaurand en de interactie met eventueel aanwezige paden en wegen alsook met wallen. Intensievere akkers op plateaus, waarbij de bodem lang kaal ligt, zijn gevoelig voor erosie. In grasland is de erosie groter dan in bos. Boomgaarden hebben vaak een ondergroei met gras en zijn daardoor minder gevoelig voor erosie dan akkers.

De gevoeligheid voor erosie is het hoogst op de heuvels waar akkerbouw plaatsvindt op de plateaus en natuurgrasland of bos aanwezig is op de hellingen (tabel 1). Dit is de meest voorkomende situatie in het Heuvellandschap: op glooiende plateaus akkers, op de steilere hellingen grasland, zoals in het Kloosterbos. Waar op het plateau bos staat en op de hellingen grasland groeit, zoals bij Vaals, is de erosie het minst. Er zijn ook situaties, waarbij er ook landbouw in het beekdal is, zoals bij de Riesenberg. Dit levert extra eutrofiëring op.

Tabel1. Kwalitatieve schatting van de erosiegevoeligheid van hellingen met overgangen van landbouw naar natuur.

Grenstype landgebruik

Gevoeligheid

Akker - natuurgebied

zeer hoog

Akker - natuurgebied met buffer

hoog

Boomgaard - natuurgebied

hoog tot matig

Boomgaard - natuurgebied met buffer

matig

Grasland - natuurgebied

matig tot laag

Gebrek aan gradiënten fauna
Diersoorten hebben gradiënten op landschapsschaal nodig. Veel diersoorten in het Heuvellandschap zijn afhankelijk van specifieke combinaties van habitats of van overgangssituaties hiertussen. Op landschapsniveau is het gebrek aan goed ontwikkelde mantels en zomen een belangrijk knelpunt. Diverse diersoorten die afhankelijk zijn van bosranden met goed ontwikkelde zomen en mantels, waaronder de hazelmuis, zijn hierdoor bedreigd.

Hellingschraallanden zijn klein en geïsoleerd
Zowel hellingschraallanden als hellingbossen liggen geïsoleerd. Er zijn nauwelijks nog overhoekjes en bermen die gebruikt kunnen worden als stapstenen voor fauna en flora. Intensieve landbouwgronden vormen bovendien onoverbrugbare barrières voor de verspreiding van karakteristieke insecten van hellingschraallanden. Hellingbossen en schraallanden werden vroegen enigszins verbonden door holle wegen en graften, maar deze landschapselementen zijn dermate aangetast dat ze hun functie als infrastructuur voor de verspreiding van soorten grotendeels hebben verloren. De ervaringen met het herstel van lijnvormige infrastructuur staan in het rapport Verkenning herstel lijnvormige infrastructuur Heuvelland.

De bestaande hellingschraallanden zijn met een maximum areaal van 10-15 hectare ook te klein voor de instandhouding van populaties diersoorten. Zo lijken bijvoorbeeld carnivore loopkevers die gebonden zijn aan hellingschraallanden, volledig uit het Zuid-Limburgse Heuvellandschap verdwenen. Andere plant- en diersoorten zijn kwetsbaar vanwege hun kleine populaties.

Natte dalen lijden onder eutrofiëring
Beken, bronnen en natte schraallanden in het Heuvellandschap worden extra bedreigd door de aanvoer van voedingstoffen omdat ze als lagergelegen gebieden bovenop de invloeden van stikstofdepositie en vervuild (grond)water het meeste te leiden hebben onder de gevolgen van erosie. Dit is een probleem op landschapsniveau, omdat de aanvoer van voedingsstoffen in de natte natuurgebieden afhankelijk is van grondgebruik elders. Zo zorgt de landbouw op de plateaus indirect voor extra eutrofiëring in dit soort habitats, doordat de mest op de plateaus via inzijging de kwaliteit van zowel het oppervlaktewater als het grondwater beïnvloedt. In het beheertype Beek en bron kan dit leiden tot eutrofiëring van door basenrijk kwelwater gevoede habitats, zoals kalkmoerassen. Als de aanvoer van basenrijk kwelwater vermindert, kunnen in natte delen van het Heuvellandschap verdroging, verzuring en eutrofiëring hand in hand gaan.

Eutrofiëring probleem voor kalktuftbronnen
Naast de eutrofiëring die door erosie, stikstofdepositie en vervuild (grond)water in het Heuvellandschap ontstaat, zijn vooral de hoge concentraties van stikstof en fosfaat in het grondwater een groot probleem voor de zeldzame kalktuftbronnen en aangrenzende moerassen. Een kalktufbron is een brontype, waar in het uittredende water oververzadigd is met bicarbonaat, waardoor actief kalk neerslaat. Er groeien typische mossoorten als geveerd dikverfmos en tusmos. Ze komen in het Heuvellandschap voor in het Bunder- en Elslooërbos, de Noorbeemden en op verschillende plaatsen in het stroomgebied van de Geul en incidenteel bij de Geleenbeek.

Uit OBN-onderzoek Towards threshold values for nutrients blijkt dat de Limburgse kalktuftbronnen de hoogste concentraties nitraat en fosfaat hebben in Europa. De uitspoeling van nitraat in de ondergrond van inzijggebieden die door de landbouw worden gebruikt, leidt tot hogere concentraties calcium, magnesium en soms sulfaat in het grondwater bij kalktuftbronnen.